Voor de zesde dag op rij rol ik met de trein Leiden binnen. Zelfde riedeltje als de vijf dagen ervoor, alleen ben ik nu wel wat eerder, zodat ik het museum ook nog even kan bezoeken. Met een audiotour loop ik langs 24 topstukken. Van een tempel tot en Romeinse helm, van een sarcofaag tot een diadeem. Natuurlijk ga ik op zoek naar voorbeelden van hiëratisch schrift, spijkerschrift en hieroglyfen. Ik blijf het spectaculair vinden.
Na een cappuccino op het terras is het tijd voor de laatste lezing van de Week van het Oude Schrift. Willemijn Waal zal ingaan op de materialiteit van oude schriften.
Die materialiteit heeft in grote mate het schrift en de schrijfwijze bepaald, maar ook of we het vandaag nog in ons bezit hebben.
Bijvoorbeeld het Chinees schrift. Vroegst bekende schrift ca 13e eeuw vChr. Oorspronkelijk was de schrijfwijze verticaal,van boven naar beneden. Heel logisch als je weet dat het eerste materiaal waarop geschreven werd, uit smalle stroken bamboe bestond. Hierop werd in inkt geschreven. Vanaf de 19e eeuw werd ook horizontaal van links naar rechts geschreven.
Het spijkerschrift werd in kleitabletten geschreven. Met een puntig stokje werden de tekens in de klei gedrukt. Tekenen of schrijven in natte klei is een moeizaam werkje. De kleitabletten werden lang niet altijd gebakken. Brieven van klei werden overhandigd, gelezen door de ontvanger en konden dan in water weer zacht(er) gemaakt worden om opnieuw te worden gebruikt.
De Egyptische hiërogliefen zijn wel bijzonder. Deze tekeningen werden in harde steen gegraveerd, moeizaam en kostbaar dus, maar omdat dit heilig schrift was bleef dat zo, zolang de tempeldienst gaande bleef.
Voor dagelijks gebruik werd het hiëratisch gebruikt, een lopend schrift, veelal op papyrus, waarbij het materiaal ook weer de schrijfrichting bepaalde. De stengels van het riet werden in repen gesneden en die repen werden verticaal neergelegd. Daarop werd horizontaal nog een laag repen gelegd. Het plantsap kleefde het als lijm aan elkaar. Dan werd het besmeerd met lijm, zodat de inkt niet uitvloeide en dan gepolijst. De horizontale kant werd beschreven, omdat de bladnerven houvast boden bij het schrijven.
Anatolische hiërogliefen worden gevonden rondom de oude hoofdstad van de Hittieten, Hattusa, in het huidige Turkije. In de Hittische Rijk waren twee soorten schrift gangbaar, de hiërogliefen, een inheems schriftsysteem en spijkerschrift, overgenomen vanuit Mesopotamië.
Het spijkerschrift is gebruikt tussen 1650-1180 vChr. En zijn 25.000-30.000 fragmenten gevonden, van klei en ook metaal. Meestal in het Hittitisch geschreven, het zijn staatsdocumenten, denk aan religieuze teksten, correspondentie, verdragen, maar geen privédocumenten of administratieve teksten.
De Anatolische hiërrogliefen werden gebruikt tussen de 15e eeuw en 700 vChr, al zijn er ook die denken dat het al in de 19e eeuw vChr. werd gebruikt. De taal is Luwisch, het is inheems en is pas zo’n 50 jaar geleden ontcijferd.
Vanuit de Bronstijd zijn ca 5.000 zegels en zegelafdrukken bewaard gebleven en monumentale inscripties in steen. Uit de IJzertijd inscripties op steen, metaal en ook graffiti, maar ook zijn privéteksten en dagelijkse administratie bewaard gebleven, o.m. op loden strips.
Klei, metaal, steen: dat is materiaal dat relatief onvergankelijk is onder de meeste omstandigheden. Hout, leer, stof, papyrus, palmbladeren, palmribbeb: allemaal materiaal dat relatief vergankelijk is, zeker in een vochtige omgeving. Dat bijvoorbeeld papyrus bewaard is gebleven, komt door de droge omstandigheden in Egypte.
Bijzonder is dat in kleitabletten gesproken wordt over houtschrijvers en de houten documenten die ze maakten. Maar dat is het dan. Wat ze schreven, welk schrift gebruikt werd? Niemand die het weet en tenzij er ergens een schat wordt ontdekt met deze documenten, zal dat ook wel zo blijven.
Een fascinerend fenomeen aan het Anatolisch is de schrijfrichting. Een tijd lang is dit geschreven in boustrofedon ofwel regels worden beurtelings van links naar rechts en van rechts naar links geschreven. Boustrofedon komt van het Grieks en betekent letterlijk draaien als een (ploegende) os (bous – os, strephein – draaien), vandaar dat het ook wel ossendraai- of ossenploegschrift wordt genoend.




