Ik zie station Nunspeet in het voorbijgaan en het volgende wat ik weer weet is dat de conductrice omroept dat we Zwolle naderen. Kijk, heb ik toch even lekker geslapen na de korte nacht. Maar ik ben er nog niet. Om kwart voor negen loop ik station Groningen uit. De Martinitoren slaat negen als ik bij Café Willem Albert op het terras aan de koffie mét ga.
Dit café komt aan zijn merkwaardige naam omdat hier ooit het Scholtenshuis stond. Gebouwd laatste kwart 19e eeuw, in opdracht van de Groninger industrieel Scholten. Het huis was beroemd, maar werd berucht in de Tweede Wereldoorlog als een hoofdkwartier en folterplaats van de SD. In de laatste oorlogsdagen werd het gebouw volledig verwoest. Bij de herbouw van de panden aan de Grote Markt werd de rooilijn verzet en de plek van het gebouw is niet terug te vinden. Nu staat er o.a. een hotel en daarin zit het café Willem Albert, naar W.A. Scholten. Zijn portret kijkt me na als ik vertrek.
Ik pak de bus naar de P&R Kardinge. Daar ga ik om half 11 mee met een orgelexcursie naar de kleine Schnitgers, drie kleinere dorpsorgels uit de werkplaats van Arp Schnitger. Op de bus naar onze eerste concertlokatie vertelt organist Theo Jellema over Arp Schnitger.
Ik kom er achter dat hij nooit in Nederland is komen wonen. Hij was en bleef een Noord-Duitse orgelbouwer, met zijn basis in Hamburg. Wel kwam hij op bezoek in Nederland om de door hem ontworpen en door zijn meesterknechten gemaakte orgels te controleren en te inspecteren. Vanaf 1691 werkte hij langere tijd in Groningen, stad en ommeland. Hij was persoonlijk betrokken bij de restauratie en uitbreiding van het orgel van de Martinikerk, schonk de Lutherse kerk (waar hij kerkte) een orgel en was zelfs peetvader van de zoon van één van zijn medewerkers.
Ook kom ik er achter dat er in Portugal orgels van zijn hand staan. Die werden grotendeels in Hamburg ontworpen en gebouwd, daarna verscheept naar Portugal en daar door zijn meesterknacht Hullenkampf geïnstalleerd.
Één van die orgels staat nu in Brazilië, in Mariana. Gebouwd in of 1701 of 1712 in Noord-Duitsland door Schnitger of Hullenkampf, daarna geplaatst in Lissabon (waarschijnlijk in de Franciscanerkerk), in 1752 door de Portugese koning geschonken aan de pas opgerichte bisschopszetel in Mariana waardoor het aan de grote aardbeving van Lissabon van 1755 ontsnapte. Na een reis over zee en over land kwam het orgel uiteindelijk in Mariana waar het in 1753 werd opgebouwd. Fascinerend, zo’n verhaal.
Schnitger begon in Groningen gelijk met een groot werk, de restauratie en uitbreiding van het orgel van de Martini. Daarna volgden in de Ommelanden opdrachten voor de kleinere dorpsorgels. Vandaag de dag zijn er nog negen orgels van zijn hand in Groningen, drie in de stad, zes in de provincie.
Via een smal straatje rijden we de wierde op en voor de kerk mogen we uitstappen. We zijn in Godlinze, een klein dorpje (245 inwoners). De deur van de kerk staat uitnodigend open, maar ik loop eerst om het gebouw heen. De muren zijn een patchwork van tufsteen, kloostermoppen en baksteen met grote muurankers en littekens van verdwenen deuren en ramen.
We zijn bij de Pancratiuskerk, een 12e eeuwse kerk in de voor Groningen zo kenmerkende mix van Romaanse en Gotische stijlen. Duidelijk is te zien dat de kerk is uitgebreid, al in de 12e eeuw, in de 13e en de 15e eeuw, terwijl de paar spitsboogvensters 16e eeuws zijn.
Als ik de kerkzaal instap valt mijn mond bijna open van verbazing. Net voor de Reformatie werd de kerk in 1571 gerestaureerd en daarbij zijn prachtige decoraties aangebracht in renaissancestijl, die zo’n 40 jaar geleden onder de witkalk te voorschijn kwamen. Ik zie allerlei decoratieve motieven maar ook natuursteen- en baksteenmotieven. En uiteraard de patroonheilige van de kerk, Pancratius, met vlakbij Christoforus en ergens is nog een klein stukje van de heilige Catharina te zien. En de meest bijzondere heilige: Sint Patrick, de patroonheilige van Ierland, herkenbaar aan een klavertje drie dat hij over zijn schouder draagt. Terzijde: in Ierland gebruikte hij het klavertje drie om de heilige Drieëenheid van God uit te leggen. Ooit moet er een Ierse connectie geweest zijn.
Maar we komen voor het orgel. Het is echt zo’n kenmerkend Schnitger-orgel. Strak van vorm, met de pijpen in regelmatige grote en kleine velden verdeeld, de openingen in een strakke V-vorm.
Organist Jellema vertrekt naar boven en gaat improviseren. Ik meen Ich steh an deiner Krippen hier, Een vaste burcht en Jesu meine Freude te ontwaren.
Tijdens de lunch in Loppersum regent het zachtjes (Yeah!) maar als we later op een boerenerf uitstappen is het weer droog. We maken het hekje open en lopen over een klinkerpaadje naar de wierde. We zijn in Eenum, een piepklein dorpje met 90 inwoners. En een heel oud kerkje op een wierde.
Het Romaanse kerkje stamt uit de 12e eeuw en behoort tot de oudste kerken van Groningen. Typerend voor deze oude kerken is de asymetrische raamverdeling. Aan de noordkant (koud) drie ramen, aan de zuidkant (warm) vier grote en een kleintje. (Er zijn zelfs kerken zónder ramen op het noorden.) Het kerkje heeft pas sinds 1710 een toren, die uit het lood staat, waarschijnlijk door afgraving van de wierde.
De kerk heeft geen koor meer, dat is in 1845 afgebroken. De muren zijn grotendeels wit met restanten van oude beschilderingen, het rechte plafond is groen, de banken auberginekleurig op de grijze houten vloer. Ik ga in de bank vlakbij de preekstoel zitten en Jellema vertrekt naar het orgelbalkon. Het orgel stamt uit 1704 en is van Schnitger, of in elk geval zijn werkplaats. Ook hier weer de regelmatige vlakverdeling. Grappig is dat de pijpen in het onderste deel er voor de show zitten.
Jellema improviseert prachtig over psalm 92.
Laatste stop is Harkstede. De jongste kerk van deze tocht. De kerk is in 1700 in gebruik genomen. Het is een heel hoge kerk en we moeten met een trap naar de toegangsdeur. Een klein trapje gaat vanaf het bordes buitenom naar de galerij.
De kerk staat ongeveer naast de plek van een middeleeuwse voorganger die in 1691 werd afgebroken. Borgheer Henric Piccardt van de nabijgelegen borg Klein Martijn (Petit Martin, waarschijnlijk een verwijzing naar de Martinikerk) besloot in 1690 de oude kerk te laten afbreken. De vrijstaande 13e eeuwse klokkentoren bleef staan.
De kerk is gebouwd als een kruiskerk in gotische stijl. De toren fungeert als één transeptarm, de andere transeptarm bevat de herenbank van de Piccardts waarachter Piccardt zijn studeerkamer met privaat (toilet) had. Op het daarboven gelegen orgelbalkon had hij zijn librije of bibliotheek en in de kelder onder de kerk (daarom staat-ie zo hoog) richtte het echtpaar Piccardt hun mausoleum in waar ze na hun dood inderdaad zijn bijgezet. Een heel bijzondere en zeer persoonlijke kerk.
De sluitstenen dragen de wapens van Piccardt (een gouden adelaarspoot op een blauw veld) en zijn vrouw Anna Elisabeth Rengers (drie gouden rozen en een dwarsbalk op een blauw veld). Ook boven de ingang had ik die wapenschilden al gezien. Plus daarboven een curieus reliëfbeeldhouwwerk met de aanbidding van het lam Gods. Je ziet een lam op een altaar en daaronder staan Elia en Johannes de Doper.
En uiteraard zijn die wapens ook op het orgel afgebeeld. Piccardt had dit orgel in 1696 bij Schnitger besteld en vanuit zijn librije kon hij zelf het orgel bespelen.
Dit orgel heeft wel een heel merkwaardige geschiedenis. Begin 20ste eeuw werd het Schnitger-orgel als ouderwets beschouwd en aan orgelbouwer Eertman gevraagd een ‘nieuw’ orgel te bouwen. Zo gezegd, zo gedaan. Hij herbruikte het pijpwerk van het oude orgel en bouwde op het orgelbalkon een ander orgel.
Toen men enkele jaren geleden het lege Schnitger-orgel wilde reconstrueren door het Eertman-orgel te ontmantelen, sprong Monumentenzorg ertussen. Het gekke is dat het Eertman-orgel zelf inmiddels een monument van curieuze aard was geworden en dus moest blijven bestaan.
Dus wat nu? Wel, men heeft alle Schnitger-pijpen van het Eertman-orgel gekopieerd. En dan bedoel ik helemaal gekopieerd. Mochten er ‘foutjes’ of gebreken in het pijpwerk zitten, dan zijn die ook meegekomen en heeft men een zo orgineel mogelijk Schnitger-orgel. Bij een origineel hoort ook geen windmotor en daarom wordt de balg van het orgel vanmiddag getrapt door organist Erwin Wiersinga.
Jellema en Wiersinga vertrekken via het smalle stenen trapje naar het balkon en gaan dan, voor het eerst, samen proberen dit orgel aan het klinken te krijgen.
Jellema improviseert, eerst een vrij stuk, dan over psalm 42 en als laatste speelt hij muziek van Domenico Zipoli. Deze Italiaanse priester/componist leefde van 1688 tot 1726 en werkt o.a. in Zuid-Amerika en zijn muziek is beslist een passend einde van deze excursie.
Tijd om te vertrekken. Om vijf uur pak ik de bus op Kardinge en om half zes zit ik in de tuin van het Schimmelpennickhuys aan een 0.0 biertje.










