Het ligt Obelix in de mond bestorven, maar zijn ze wel zo raar?
Vandaag ga ik nog één keer op stap met de Romeinen. Ik ga naar het Archeon in Alphen aan den Rijn, een openluchtmuseum gewijd aan archeologie. Uiteraard is er meer te zien dan alleen Romeinen. Een klooster, een Vikingschip, dorpjes uit diverse tijdperken voor en na de Romeinen.
Ik ga eerst naar het Romeins museum, in een nagebouwde boerderij uit de Romeinse tijd. Uit Rijswijk in de Betuwe. 120% van de originele maten, wat ik een beetje jammer vind. Ben je het gevoel voor afmetingen een beetje kwijt.
Tichelarij
Komt er dan niet veel van hetzelfde voorbij? Uiteraard, maar toch vind ik dingen die ik nog niet wist. De Romeinen brachten natuursteen naar hier om daar de castella en castra mee te bouwen. En ook in de vici, de dorpjes bij de castella, kwamen stenen huizen te staan.
Die werden gedekt met daktegels, die in Nederland werden gebakken. Bij Berg en Dal lag de grootste tegelbakkerij van ons land, eigenlijk de eerste fabriek van Nederland. Fabriek komt trouwens van het Latijnse woord fabrica dat werkplaats betekent.
In de vitrines liggen stukjes daktegels, sommige met het stempel van het legeronderdeel waarvoor het bedoeld was. Twee ervan springen er uit. Één heeft de afdruk van een hondenpoot, een ander de voetafdruk van een kind.
Wegen
Alle wegen leiden naar Rome, zegt het spreekwoord en dat klopt eigenlijk ook wel. Natuurlijk waren er wegen die niet op Rome gericht waren, maar het hoofdwegstelsel was dat wel.
De wegen in onze omgeving werden, afhankelijk van het gebruik, aangelegd met een grindpakket van zo’n 60 cm dik. De weg werd bol aangelegd, voor de afwatering, met aan weerszijden goten. Eventueel werd de weg beschoeid met planken en palen.
Dit wegenstelsel was uitermate belangrijk. Voor de opmars van de legioenen, voor het vervoer van grondstoffen, hoewel het merendeel daarvan over water ging, voor de reiswagens van de bestuurders (een kopie is in het Archeon te bewonderen) en voor communicatie. Een brief kon in een paar dagen Rome bereiken.
Post
Brieven, ja, hoe zagen die eruit. Er werd perkament gebruikt of het kwetsbaardere papyrus. Maar ook wastabletten en tabulae.
Een wastablet bestond uit een iets uitgehold dun plankje waarin was werd gestreken. In harde was kon je een boodschap schrijven. En het was herbruikbaar. De was iets verwarmen en gladstrijken, en je kon je antwoord schrijven. De tabulae bestonden uit dunne strookjes hout waarop geschreven kon worden.
En wat schreven ze zoal? Hele gewone dingen. Een soldaat vraagt zijn familie om ondergoed en sokken. Hij heeft het koud. In Engeland vraagt een officier aan zijn meerdere uitleg over instructies en, o, ja, of hij nog bier willen sturen. Een andere brief is van een vrouw die haar zus uitnodigt voor haar verjaardag.
Schepen
In een hal ligt één van de Zwammerdam-schepen. Het schip is grotendeels gerestaureerd,maar het werk ligt nu stil. De subsidie is plots stopgezet. Jammer, want op de stellages eromheen liggen delen van nog andere schepen. In het Romeins museum ligt nog een stuk van een kano. Dit is wel geconserveerd.
Een tijdlang hebben archeologen gedacht dat Romeinse schepen alleen maar de rivier konden afzakken en dan als versterking gebruikt werden bij havens. Maar nu blijkt dat deze schepen wel 50 jaar dienst deden, continu gerepareerd werden én geroeid, gezeild, gejaagd of gesteveld kon worden. Stevelen is het schip met een groot roer de rivier laten afzakken met hulp van de stroom en zwaartekracht.
Duikers
De Romeinen waren meesters in watermanagement. Aquaducten, grachten, kanalen, dammen, alles werd aangelegd om het water daar te krijgen waar het heen moest. Ook duikers en rioleringen hadden ze al. Duikers om water te laten wegvloeien door een dijk of verhoging heen. In het museum zie ik twee oude houten duikers. Ze konden tot wel 7 meter lang zijn, gemaakt van uitgeholde boomstammen. Rioleringen bestonden uit terracotta buizen. Ons woord riool komt ook uit het Latijn: rivulus, in het Latijn het verkleinwoord van rivus, betekent beek, kanaal voor irrigatie of afvoer.
Badderen
In het Archeon is een badhuis nagebouwd. De badcultuur was zeer uitgebreid. Er zijn koude, lauwe en hete baden, een sauna, een massagesalon. In het voorportaal hangen houten kastjes voor de kleding. Had je kostbaarheden bij je, dan zette je een slaaf voor je kastje. Baden was een sociale aangelegenheid en ieder ging op een eigen moment, mannen, vrouwen en kinderen.
Tempel
Er staat een kleine herbouwde tempel met een beeld van de inheemse godin Nehalennia. De Romeinen namen de inheemse goden over en gingen die ook aanbidden. Soms werd deze samengevoegd met een Romeinse godheid. In Elst werd bijvoorbeeld Hercules Magusanus aanbeden, de Germaanse god Magusanus werd vereenzelvigd met de Romeinse god Hercules.
Nehalennia bleef zichzelf, maar moest wel op Romeinse wijze vereerd worden, dus met een tempel, een groot (kleurrijk!) beeld en geregelde offerceremonies.
Latrines
Bij de latrines lopen onze wereld en de Romeinse wat verder uiteen. Ik zie mezelf nog niet gezellig op een rijtje met mede-dorpelingen om een grote boodschap te produceren, vervolgens met een spons aan stokje alles schoon schrobben en dan de spons afspoelen. Nou, nee. Toch rare jongens?
Pecunia non olet
Boodschap nummer één kon geld opleveren. Urine werd gebruikt voor het wassen van kleding (vanwege de aanwezige ammoniak), voor het looien van leer (voor het verwijderen van vet en haarresten) en voor het verven van textiel (de kleurstof hechtte met urine beter aan het textiel).
Toen keizer Vespasianus in 68 nChr als keizer aantrad was de staatskas leeg. Voorganger Nero met zijn excessen, de Bataafse Opstand, het Vierkeizersjaar en de grote brand van Rome, dat alles bij elkaar had de kas geleegd. Om de financiën op orde te krijgen probeert Vespasianus overal geld vandaan te krijgen. En een van die besluiten is belasting te heffen op de urine die werd opgekocht uit de publieke urinoirs en latrines. Zoon Tiberius vond daar wat van, maar volgens de overlevering zou zijn vader hebben gezegd: pecunia non olet. Geld stinkt niet.





