Ik ben vroeg genoeg bij de veerpont om in de ijssalon een ijsje te kopen. Ter ere van de Romeinen neem ik walnoten- en kersenijs. Zij brachten immers de walnoot en de kers naar onze omgeving.
Vanmorgen ben ik met de trein naar Elst gereisd voor de laatste ANWB-fietstocht van de Limes. De start is eigenlijk in Nijmegen, maar ik had al gezien dat de lift op Elst kapot was en dan zou ik de overstap niet redden.
Geen probleem. Bij het Medisch Centrum Elst zit een Bakker Bart met een terras en daar ga ik lekker aan de koffie mét. En dan op weg naar Lent.
Masker
Bij Veur-Lent, op het Stads-eiland tussen Waal en Spiegelwaal, stap ik van mijn fiets. Nou ja, stappen. Ik val met mijn fiets om net voor ik bij het masker ben. Niet goed opgelet. Moest ook een keer, deze vakantie.
Het masker. Daar sta ik nu voor. Afgelopen donderdag heb ik het in het echt (en in het klein) gezien in museum het Valkhof en ook in andere musea zijn zulke maskers te zien. Hier in Nijmegen heeft een kunstenaar het masker vele malen vergroot. Een stalen frame is bedekt met lagen polyurethaan en vezelmatten en daarna in de kleuren van het masker gespoten. Het is niet helemaal een exacte kopie van het masker. De ogen bijvoorbeeld zijn groter en het leuke is dat je via een trapje door de openingen naar de stad kunt kijken.
Zulke maskers werden gedragen door ruiters tijdens parades en tournooien en wellicht ook bij de strijd. Een ruiter die zo’n glanzend (want messing, zilver en goud) masker draagt, moet wel indruk maken op de tegenstander. Komt nog bij dat het masker de emoties van de drager verbergt.
Brug
Vanwege de Nijmeegse Vierdaagse mijd ik de binnenstad en heb ik de route aangepast. Ik ga niet via de spoorbrug maar met de Waalbrug naar de overkant. Op de plek van de spoorbrug zijn trouwens ijzeren paalschoenen gevonden. De Romeinen moeten hier al een brug over de rivier hebben gebouwd.
Kamp
Via de brug kom ik bij het keizer Traianusplein en vanaf daar is het kilometerslang stijgen. Ik moet nl. de Hunnerberg over en bij een complex met de naam Porta Romana liggen in het gras de opgemetselde fundamenten van het stenen poortgebouw van de legerplaats van het Tiende Legioen. Dit stamt uit de 1e eeuw.
Hier heeft ook een houten voorganger gestaan, net iets er naast, van het eerste legerkamp uit 19-12 vChr. Waar die houten palen gevonden zijn, is met gele klinkers aangegeven.
Het is een gigantisch kamp geweest. Er was ruimte voor twee legioenen, zo’n 12.000 man.
Zo’n kamp brengt eigen bedrijvigheid mee en iets verder, bij de Eikstraat, staat een nieuwe Romeinse kolom. Opgericht door Nijmegen, op de plek waar het Tiende Legioen ook zo’n zuil had staan, als onderdeel van de markthal.
Het was hier een echt forum, met niet alleen een markthal, maar ook winkels, een grote herberg, een badhuis, zelfs een amfitheater.
Het eerste kamp werd rond 12 vChr verlaten en iets verderop, op het Kops Plateau, werd een veel kleiner fort gebouwd, dat wellicht dienst deed als commandocentrum voor de veldtochten van Drusus in Germanië.
Water
Zon kamp heeft water nodig. Voor eten en drinken, voor wassen, voor het doorspoelen van latrines en riolen. Schattingen zijn zo’n half miljoen tot een miljoen liter water per dag!
Het is dat ik er op let, maar je rijdt er zo aan voorbij, op de Oude Kleefsebaan. Rechts van de weg is een soort balkon en daar is het restant te vinden van het aquaduct. Moet je je niet zoiets voorstellen als in Zuid-Europa, mooie stenen bogen en goten.
Een ongeoefend oog kan het verschil niet zien tussen een gegraven dal en een natuurlijk dal, maar dat is waar ik naar kijk. Een stuk van de vijf kilometer wateraanvoer naar het kamp op de Hunnenberg, vrijwel helemaal met de hand gegraven.
Terzijde: dit graafwerk werd door de legionaiers gedaan. Ook de wegenaanleg werd door hen gedaan. In vredestijd is verveling de ergste vijand van een soldaat. Aan het werk, dan maar!
Met behulp van houten goten en zwaartekracht werd het water van de bronnen hier hoog in de stuwwal met zijn ondoordringbare lagen naar het kamp geleid. Er zijn drie dalen gegraven, het Kerstendal, het Louisedal en het Mariënbosch, en drie dammen gebouwd, de Swartendijk, de Cortendijk en de Broerdijk. Tot op de dag van vandaag weet men niet hoe de Romeinse ingenieurs het verval van de aquaducten zo exact konden berekenen.
Thorn
Ik schamp langs de Duitse grens en kom bij de Thornsche molen. Tijd voor de lunch, al is het nog vroeg. Thorn, dat ligt toch in Limburg. Maar de oorspronkelijke 15e eeuwse molen is ooit bezit geweest van de abdij van Thorn in Limburg. Nog weer later van het kapittel in Kranenburg en daarom heet de dijk waaraan deze molen staat Kapitteldijk.
De molen is al lang niet meer orgineel. Tijdens de oorlog werden molen en bijbehorende buurtschap geheel verwoest. De molen werd compleet herbouwd en in 2015 weer draai- en maalvaardig in gebruik genomen.
Millingen
Ik heb vandaag het enige stuk met wind mee, als ik over de Waaldijk naar Millingen fiets. Millingen heet niet naar de mijlen van de Romeinen, maar is een eigennaam. Hier woonden ooit de lieden van Milo.
Waar Millingen ligt, moet ooit een grensfort hebben gestaan. Er lag een heerbaan vanuit Nijmegen naar hier, maar helaas, veel is weggespoeld.
Wel is er een altaarsteen. Deze steen zat eeuwen lang ingemetseld in de kerk van Millingen aan de Rijn. De steen is verkocht aan het RMO in Leiden, maar sinds 2008 staat een replica in het dorp.
‘Aan (Bona) Dea Domina. (Ter herinnering) aan Rufia Materna heeft Mucronia Marcia een altaar en een heilig woud (lucus) gewijd, waar zij een jaarlijks offer heeft ingesteld op 17 juli en op de verjaardag van haar dochter Materna op 7 oktober en tijdens de Parentalia op 21 februari voor vader en zoon Rufius Similis en voor haar dochter Materna.’
De tekst is raadselachtig, maar de laatste interpretatie geeft een blik op een tragisch familieverhaal. Mucronia moet tot de toplaag van de samenleving hebben behoord, ze had het Romeins burgerrecht, schreef in het Latijn en beschikte over genoeg geld om haar overleden gezinsleden te eren. Men vermoed dat Mucronia inheems was en dat haar man Rufus Similis een veteraan was uit het Romeinse leger.
Rijn
De Rijn ben ik deze dag nog niet echt tegen gekomen. Nu ontspringt de Waal wel uit de Rijn, maar is geen Rijn. Hier bij Millingen stroomt het Bijlandsch Kanaal (spreek uit Bielands), de drie kilometer lange waterweg tussen Tolkamer en Millingen, gegraven tussen 1773 en 1776, dwars door de Bijlandsche Waard om een meander van toenmalige Boven-Waal af te snijden.
Met het pontje beland ik aan de overkant, en hier, op het Gelders Eiland zal ik wel stukken van de Rijn zien, de oude Rijnstrangen.
Ongeveer waar ik overstak moet de dam van Drusus hebben gelegen, de eerste vorm van watermanagement in Nederland. Net als de Pannerdense Kop en de IJsselkop nu, moest deze dam zorgen voor een goede verdeling van water over de rivieren die hier zich splitsten.
Hier, in recreatiemeer Bijland, moet een fort hebben gestaan. Bij het graven stuitte men op een ondoordringbare puinlaag van tufsteen uit Duitsland. Er staat een groot kunstwerk, de Romeinse baadster, als zinnebeeld van de rivieren.
Op de dijk bij Herwen staat een kleine grafsteen. Het origineel staat in het Valkhof, hier een kopie. Veel van de inscriptie is er niet meer, maar wat er staat brengt Marcus Mallius in herinnering, soldaat uit het Eerste Legioen en afkomstig uit Genua, begraven bij Carvium bij de dam.
Hier bij Herwen hebben zeker drie eeuwen lang meerdere tempels gestaan, getuige vondsten bij opgravingen.
Naar huis. De route zou nog via Pannerden naar de overkant gaan, en dan over de Waaldijk naar Lent, maar ik heb genoeg van de tegenwind en om nu nog 20 kilometer tegen de wind in te fietsen? Nou nee, dus neem ik het besluit naar Zevenaar te fietsen en daar de trein naar huis te pakken.



