Normaal wordt een opening verricht door een lint door te knippen. Vandaag eens niet. Kunstenaar en directeur houden ieder een aantal draden vast en aan de voorzitter de eer om al die draden samen te knopen. Een mooi symbool, vind ik.


Ik ben in het RAR, het Regionaal Archief Rivierenland, waar vandaag de tentoonstelling Draden van Ons Nederlandse Slavernijverleden editie Gelderland werd geopend. Centraal in deze tentoonstelling staat of hangt het kleed dat gemaakt is door vele vrijwilligers uit Gelderland, onder begeleiding van Villa Maecenatis. Onderwerp van dit kleed: het slavernijverleden van de provincie Gelderland.


In 2021 kreeg Ricardo Burgzorg van de Stichting Groninger Kerk het verzoek om voor Bitterzoet Erfgoed, een culturele manifestatie over sporen van het slavernijverleden in Groningen, iets te ontwerpen. Zijn vrouw vraagt hem te googelen op Tapijt van Bayeux. En dat was het Eureka-moment. In januari 2022 werden de eerste steken van het kleed gemaakt en op 30 juni was het klaar, gemaakt door 400 Groningers.
Het project is zo’n succes dat Ricardo het niet wil afsluiten. Wat als je dit ook in de 11 andere provincies van de grond kunt krijgen? En dat lukte. Inmiddels zijn ook de kleden van Overijssel, Utrecht, Zeeland, Noord-Brabant, Zuid-Holland en Gelderland klaar. Aan Noord-Holland en Limburg wordt gewerkt, en Flevoland, Friesland en Drenthe zijn nog niet zover.


In Tiel hebben we gewerkt aan deel zeven van het ontwerp. Het kleed is 2,5 meter hoog en 7 meter breed. Met een grote stellage stond het opgesteld in het Flipje- en Streekmuseum in Tiel, met een minitentoonstelling erom heen, over het slavernijverleden van Tiel.
Een paar middagen in de week kon je meehelpen, ook bezoekers mochten meehelpen en na maanden werk kon het eindelijk naar de centrale lokatie worden gebracht, samen met de andere zes delen. Het 35 meter lange kleed is groot en zwaar en blijft daarom in zeven delen gesplitst, die voor een tentoonstelling aan elkaar worden geknoopt met knopenlijsten en klittenband.


Richard Kofi is de ontwerper van het kleed. Als kunstenaar en curator richt hij zich op het blootleggen van de koloniale geschiedenissen, maar ook op de toekomst. Zijn ontwerp is uiterst kleurrijk. Hij vertelde daarover bij de opening, dat hij een staalkaart met 54 kleuren wol aangereikt kreeg met verzoek om niet álle kleuren te gebruiken. Heeft hij ook niet gedaan. 52 kleuren heeft hij gebruikt.
En dat is te zien. De kleuren spatten bijna van het doek.


En wat zien we dan op het doek?
Water, heel veel water. Water droeg de schepen van en naar Afrika met hun droeve last. Water was op een vreemde manier schuldig en hier is water een manier om alles te omspoelen en zo de pijn weg te spoelen. Alles op het kleed wordt er mee overspoeld, Fort Elmina, Huis Zypendaal, kasteel Rosendael, de mensen, de plantage’s en uit dat water komen drie hoofden bovendrijven, in roze, zwart en paars. Het zijn de nazaten van overboord gezette zwangere vrouwen, volgens de moderne mythe van Drexciya. Hierin worden slachtoffers krachtige voorouders.

In slavenfort Fort Elmina is de Door of no return. Kofi heeft deze deur uitvergroot boven het fort geplaatst en hernoemd naar Door of return, als hoop voor de toekomst.
Daarnaast zit trots een Ashanti-koning op zijn troon. De Nederlanders gingen met hem een overeenkomst aan. Hij zou slaven leveren als soldaten voor de KNIL in Indië. Officieel waren ze geen slaaf, maar ze moeten vechten in Indonesië en betalen voor hun eigen vrijheid.


Roosje en Christina Martha
Daarnaast dobbert de geest van Christina Martha Tiahahu, een Molukse vrijheidsstrijdster, in 1818 twee dagen voor haar 18e verjaardag gestorven in de gevangenis. Roosje zit op een paal, een uniformjas over haar schouder. Wie Roosje is? We zullen het nooit zeker weten. Op Erfgoed Gelderland vind ik het verhaal van Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell, die in Indonesië een tekening maakt van en schrijft over perkslavin Roosje. (Een perkslavin werd op nootmuskaatplantages (perken) tewerkgesteld). Was zij het?

Anna
Naast Huis Zypendaal staan twee grijsblauwe figuren. Ze worden vanuit het water aandachtig bekeken door Anna van Vossenburg. Zij was in slavernij geboren in Suriname en als kind naar Nederland gebracht. In Arnhem werkte ze bij de rijke familie Brantsen. Maar ze liet mensen achter in Suriname. Haar eigenaar had nog twee slavinnen met de naam Anna, waarschijnlijk familie van haar, en deze zijn verbeeld als grijsblauwe geesten.

Quaco
Het verhaal van Quaco is heel bijzonder.

Hij is geboren in 1762 in Guinee en als achtjarige door Afrikaanse mensenhandelaren ontvoerd. Verkocht aan de kapitein van een WIC-schip. In Suriname doorverkocht aan Walter Kennedy, die hem uitleent aan de Schots-Nederlandse legerkapitein John Gabriel Stedman. Quaco, dan 11 of 12 jaar, wordt zijn lijfknecht, maar gaat ook mee met Stedman bij militaire operaties tegen de Marrons, de slaven die zichzelf bevrijd hadden.
In 1775 koopt Stedman Quaco van Kennedy en vertrekt met hem naar Nederland. Stedman meldt zich bij zijn regiment en moet naar Den Haag. Quaco wordt in Zutphen bij de broer van Stedman ondergebracht. Hij gaat dan ook voor het eerst naar school. Hij verhuist met Stedman naar Bergen op Zoom en reist met hem naar Antwerpen, Brussel en Mechelen.
In 1778, op 10 juli, wordt Quaco formeel vrij. Wat je vrij noemt. Hij wordt in 1781 door Stedman cadeau(!) gegeven aan baronesse Eusebia Jacoba de Rode van Heeckeren op kasteel Rosendael. Blijkbaar had Stedman schulden uitstaan bij haar.
In 1785 wordt Quaco (inmiddels butler) gedoopt in de kerk van het kasteel als Willem Stidtman. In 1790 gaat Quaco mee met de baron Assueer Jan Torck naar diens jachtkasteel in Asten.

In 1792 wordt hij ontslagen en tewerkgesteld op het VOC-schip D’IJsselmonde. Hij vaart langs de kust van West-Afrika naar Batavia in Nederlands-Indië. Zijn contract liep tot 1795, maar na zijn aankomst in Batavia is niets meer over hem bekend.

Hier op dit kleed wordt hij in herinnering gebracht, boven kasteel Rosendael en hij kijkt naar een afbeelding van een bestraffing van een slaaf, zoals hij die zal hebben meegemaakt. Zelf of van anderen.


De verhalen die op het kleed zijn afgebeeld, zijn indrukwekkend, maar minstens zo bijzonder zijn de verhalen die in het archief zijn opgediept. Over Zephyr, de huisslaaf. Notaris Verweij uit Geldermalsen heeft zijn vrijlatingsakte opgesteld.
En huis Djoerang in Zoelen, gebouwd door Hasselman uit Tiel. Deze familie bezat aan cochenilleplantage of nopaleras in Indonesië. De schildluis (cochenille) werd hier op schijfcactussen gewonnen voor de felrode kleurstof karmijn.
Of Jacoba Maurina Spiering, geboren in Suriname, later wonend op Kermesteijn in Lienden. Zij bezat meerdere slaven, hier in Nederland.


Ik hoop dat dit kleed, samen met alle andere kleden, onderdeel wordt van onze gezamenlijke geschiedenis. Misschien komt er ooit nog een tentoonstelling van alle kleden samen?

LInksonder de Ashanti-koning, daarboven de hoofden van de Drexciya-mythe, twee overzichtsfoto’s
Linksboven Anna van Vossenburg met ernaast en eronder haar verwanten, middenrechts Christina Martha Tiahahu, linksonder Quaco en rechtsonder Roosje
details van het kleed, linksonder fort Elmina
overzichtsfoto’s
overzichtsfoto’s

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.