Hè? Wat zegt-ie nu?
We zitten in de banken van de kloosterkerk te luisteren naar onze gids. Hij heeft ons net gewezen op het heiligenbeeld achterin de kerk, boven de deur waar we net binnen kwamen. Het engeltje bij de heilige heeft een leeg bord in de hand en onze gids vertelt dat het beeld ternauwernood de brand van 1944 heeft overleefd. Het werd meegegrist, maar het bord verloor wat er op lag: een borst. Hè? Versta ik dat nou goed? Een borst? Ja, dat klopt.
Vanmorgen was ik na een rustig ontbijt op de fiets gestapt naar het station Tiel. Helaas regende het, maar nog niet hard genoeg om me van mijn plannen af te brengen. Eenmaal bij het station begon het echt hard te regenen. Gauw de fiets stallen, inchecken, schuilen in de Stationshuiskamer en even later komt de trein naar Arnhem binnen. In Elst en Nijmegen stap ik over en om 12 uur loop ik het plein van de Sint Martinus in Cuijk op. Ik loop even wat rond en ga dan aan de Maas een koffietje pakken. Ik heb nog even de tijd.
Om half één loop ik weer buiten, paraplu in de hand, want droog is het niet. Ik daal af naar de Maasoever en over een fietspad loop ik naar het begin van het struinpad. Dicht langs het water loop ik in alle rust richting mijn bestemming: Klooster Sint Aegten in Sint-Agatha. Ik heb me opgegeven voor de rondleiding om twee uur.
De donkere luchten voorspellen niet veel goeds, maar toch wordt het droog en dat blijft het bijna de hele wandeling. Het klooster ligt goed verborgen, pas als ik dichtbij ben, steekt de vieringtoren boven de bomen uit. De zon schijnt, het begint weer te druppelen en zo loop ik het voorplein op, naar het Erfgoedcentrum.
We gaan 700 jaar terug in de tijd. Rond 1300 werd hier, in wat toen Kuyckbrockele (Cuijks Brakel) heette, een kapelletje gebouwd voor de Heilige Agatha. Op deze plek, tegenover Middelaar, vonden vaak grote overstromingen plaats en de heilige Agatha is de beschermheilige bij natuurrampen. Niet zo gek dus, dat het kapelletje aan haar werd gewijd.
Rond 1365 kregen de Kruisheren van het klooster in Asperen het verzoek om de kapel te bedienen en in 1371 werd het kapelletje aan deze kloosterorde geschonken. Door toename van het aantal kloosterlingen, kreeg het klooster meer bezittingen, maar ook kreeg het klooster landerijen van bijv. Maximiliaan van Habsburg en Philips de Schone.
De Opstand ofwel de 80-jarige oorlog werd voor het klooster een donkere tijd. De Spanjaarden braken het inmiddels behoorlijk gegroeide klooster deels af. Ze hadden het bouwmateriaal nodig voor de versterking van het kasteel Middelaar aan de overkant. De kloosterlingen weken uit naar Kleef, later Gennep en in 1596 naar Grave, toen nog Spaans. In 1602 viel Grave in handen van de opstandelingen en de kloosterlingen vluchtten verder.
Toch mochten ze hun bezittingen blijven beheren, maar nieuwe kloosterlingen aannemen? Dat mocht niet. Dat was het uitsterfbeleid vanuit de nieuwe bestuurders. Toch nam het klooster illegaal 11 novicen aan.
Het bleven lastige tijden en economie, politiek en oorlog dwongen de kloosterlingen van tijd tot tijd tot vluchten. Maar in 1840 werd het verbod op novicen aannemen opgeheven, het begin van een nieuwe bloeiperiode. Paus Gregorius XVI deed daar een schepje bovenop, door een Odilia-aflaat toe te kennen aan het klooster.
Die aflaat hield in dat mensen die op bedevaart naar Sint-Aegten gingen, (een deel van) hun zonden kwijtgescholden kregen. (Sint-Odilia is de beschermheilige van de kruisheren.)
De Kruisheren zijn de oudste nog bestaande kloosterorde van Nederlandse oorsprong. Officieel de Orde der Kruisheren of ‘Ordo Sanctae Crucis’ (Orde van het Heilig Kruis). Het is een orde die de orderegel van Augustinus volgt. Stichter is Theodorus van Celles, geboren rond 1166 in de buurt van Namen. Hij studeerde in Lijk en ging in 1190 mee met de derde kruistocht naar Jeruzalem. Daar kwam hij in aanraking met de Reguliere Kanunniken van het Heilig Graf. Hij bewonderde de sobere leefstijl van deze orde. In 1209 ging hij weer op kruistocht, nu tegen de Katharen in Zuid-Frankrijk. Na zijn terugkeer probeerde hij de levensstijl van zijn medekanunniken om te buigen, zonder resultaat. Daarop trad hij uit, samen met vier collega’s, en zette een nieuwe kloostergemeenschap op. Die werd in 1211 officieel en zij noemden zich Kruisdragers of Kruisbroeders. In 1236 keurde de Paus hun orderegel goed.
In 1317 bouwden ze hun eerste klooster in de noordelijke Nederlanden, in Asperen. Het klooster in Sint-Agatha werd uiteindelijk de hoofdvestiging van de Kruisheren.
Het is het oudst nog bewoonde klooster van Nederland, sinds 1371. Er zijn nu nog drie kruisheren, die behoorlijk op leeftijd zijn. Om het klooster te laten voortbestaan zijn de lege cellen omgebouwd tot appartementen voor niet-kloosterlingen. Als je hier wilt wonen, moet je je wel kunnen verhouden tot de geschiedenis en de spiritualiteit. Én er wordt verwacht dat je meehelpt bij bepaalde taken in en rond het klooster.
We mogen op het pandhof kijken, waar we zicht hebben op de verschillende delen van het klooster. De 15e eeuwse kloosterkerk, de 17e eeuwse ‘nieuwbouw’, de nieuwe vleugel uit de 20ste eeuw, de toegang tot de 14e eeuwse kelders. Het pandhof is tevens de begraafplaats van de kruisheren. De meeste graven zijn gemerkt met een eenvoudig wit kruisje, maar er staan (of liggen?) ook grote grafplaten. Die zijn van de magisters-generaal, de oversten van de orde. De laatste begrafenis vond plaats in 1981, van de laatste voor het leven benoemde magister-generaal.
Het klooster herbergt tegenwoordig het Erfgoedcentrum van het kloosterleven in Nederland en daarmee de archieven en bezittingen van ruim 100 kloosters. Uit die depots kan het centrum tentoonstellingen samenstellen.
Het meest bijzondere boek is de Graduale van Johannes van Deventer, hier in het klooster gemaakt en hier ook gebleven. Helaas is dat niet te zien, maar wel te zien zijn de stichtingsdocumenten, uit de 14e eeuw.
In de kloosterkerk wijst de gids ons op het Mauritsraam, het enige door een Oranje geschonken raam in de Zuidelijke Nederlanden. Pierre Cuypers was betrokken bij restauratie van de kloosterkerk, maar ook bezig met het ontwerp van het Rijksmuseum. Hij heeft net zolang gesoebat bij de abt tot deze het raam schonk aan het nieuwe museum. Achteraf een geluk bij een ongeluk. In 1944 brandde de kerk uit, als gevolg van dakwerkzaamheden en vrijwel alles, ook de glas-in-loodramen, werd vernietigd.
Na heel wat onderhandelen, is het raam in 2021 teruggeplaatst, op een andere plek, maar toch.
Na de rondleiding neem ik de tijd om het terrein te verkennen. De kloostertuin is heel bijzonder, omdat deze al eeuwen in gebruik is. De voormalige moestuin is nu een schapenwei, maar in de siertuin zijn nog steeds twee vijvers. Hier werd de vis voor het klooster gekweekt. Overal zijn paden en paadjes, want hier liepen de kruisheren te brevieren (het bidden van de voorgeschreven dagelijkse gebeden).
Ik kom hier weer Sint-Agatha tegen, in de vorm van een holle houten vorm, met twee borsten aan de binnenkant. En dat heeft alles te maken met haar marteldood. Zij werd op gruwelijke wijze gemarteld, en één van die martelingen was het afknijpen van haar borsten. En dat is wat er in de kloosterkerk te zien is. Of niet meer te zien is. Op het bord dat het engeltje draagt, lag één van de borsten van Sint-Agatha. En dat ze beschermheilige is bij natuurrampen heeft daar ook mee te maken. Op enig moment tijdens haar martelingen barstte de Etna uit, alsof God zelf ingreep. Vanaf die tijd gingen gelovigen haar aanroepen als de Etna rommelde.
Tijd om terug te gaan. Het druppelt een klein beetje, maar de ergste buien zijn echt voorbij. De donkere luchten zorgen voor prachtige vergezichten, als ik dezelfde route terugloop.






Onder vlnr: raam in de biechtkapel, het Mauritsraam, de ramen in de koorsluiting

Onder: het pandhof met linksonders het graf van de magister-generaal uit 1981




Onder: beeld voor broeder Piet (van 1925 tot 1994 tuinman van het klooster), de kloostermuur en zicht op het 17e eeuwse poortgebouw

