Gelukkig is het vandaag ietsje minder warm, vooral na de buien van gisteravond, maar toch lopen we vandaag graag in de schaduw van de bebouwing. En zo staan we op een hofje in Utrecht dat gewijd is aan een wonderkind dat hier in Utrecht woonde. Geboren in Keulen, als 6-jarige verhuisd naar Utrecht en later Friesland, maar Utrecht bleef haar trekken, gezien haar gedicht met de smachtende titel ‘O Utreght, lieve Stadt’.
Als 3-jarige kon ze al lezen, als 6-jarige kon ze papierkunst knippen. Ze sprak Nederlands, Frans, Duits, Engels, Latijn, Grieks, Hebreeuws, Aramees, Ethiopisch, Arabisch, Perzisch en Syrisch. Ze was kunstenares (papierknipkunst, gravurekunst, waskunst en schilderkunst), theologe, entomologe en taalkundige. En in 1636 werd ze aan de Universiteit van Utrecht toegelaten, als eerste vrouwelijke student ooit. Als ze maar wel achter een gordijn zat. Voor de net opgerichte universiteit schreef ze op uitnodiging een gedicht dat bij de opening werd voorgelezen.
We hebben het over Anna Maria van Schurman.
Zij is slechts één van de vele Utrechtse schilders. Vandaag loop ik mee met een stadswandeling door Utrecht met als onderwerp Utrechtse schilders. Ik hoor bijna de frustratie in de stem van onze gids, als hij vertelt dat bij inrichting van de schilderswijk in Utrecht, geen enkele Utrechtse schilder werd vernoemd. Ja, Hollandse schilders als Rembrandt, Hals en Steen, die wel, maar Bloemaert, Van Honthorst, Moreelse, van Babuuren? Helemaal niet.
Vanmorgen om 10 uur arriveerde ik in Utrecht, vroeg genoeg om op een beschaduwd terrasje aan de koffie te gaan, terwijl ik uitkeek op de Oude Gracht. Langs de Gronsveltkameren liep ik naar de Nicolaïkerk en daar zag ik de stadsgidsen staan. In twee groepjes mogen we mee, op zoek naar de Utrechtse schilders.
We beginnen bij het voormalige Agnietenklooster. In 1602 woonde schilder Adam Willaerts met zijn gezin in de keuken van het verlaten klooster. Hij is bekend van zijn zeegezichten. Heel bijzonder was dat er ook een galerij was, een publiek toegankelijke gang waar schilderijen werden tentoongesteld.
Zoons Abraham, Cornelis en Isaac waren ook schilders, waarvan Abraham het meest bekend is geworden. Zijn dochter Hester trouwde met Jacob Gillig, een gevangenbewaarder, die zich bekwaamde in het schilderen van zoetwatervissen.
We lopen langs de hekken van Fundatie van Renswoude. Leuk weetje: de hekken rond de ingang hebben geen spitse punten. Die zijn afgezaagd, omdat de lakens van lijkkoetsen hierin vast bleven zitten.
De bouw van de Fundatie was er ook voor verantwoordelijk dat de Gronsveltkameren werden verplaatst naar de Nicolaïkerk. Die kerk staat hier omdat hier in de buurt, aan de Vaartsche Rijn, scheepswerven gevestigd waren en schippers woonden. Sint-Nicolaas is beschermheilige van o.a. de schippers.
We staan even stil bij de Kameren Maria van Pallaes, mooie woninkjes uit 1650. Op de hoek staat het regentenhuis, met een plaquette ter herinnering aan deze bijzondere vrouw. Zij had zes kinderen overleefd en geen kleinkinderen. Bij leven gaf ze het geld voor deze huisjes en zij liet zich afbeelden door de Utrechtse schilder Hendrick Bloemaert. Hierbij werden haar overleden kinderen ook afgebeeld.
We staan even stil op de plek waar het Magdalenaklooster stond. Tot in de Tweede Wereldoorlog was het een Joods Weeshuis, nu is het o.a. een opvanglokatie van het Leger des Heils.
Het voormalige Magdalenaklooster was in de 17e eeuw de plek waar de Teekenschoel van Abraham Bloemaert en Paul Moreelse was gehuisvest.
Op deze school kregen de leerlingen les in alles wat met tekenen en schilderen te maken had: verf maken, doeken voorbereiden, en vooral tekenen, het Latijnse adagium Nulla dies sine linea indachtig: geen dag zonder lijn.
Bijzonder is dat Bloemaert katholiek was en Moreelse protestant. Ook hadden ze leerlingen van beide religies, zoals de katholieke Wybrand de Geest uit Leeuwarden (en zijn oudere broers).
Nog bijzonderder vind ik dat Bloemaert zijn leerlingen aanspoorde naar Italië te reizen en daar hun horizon te verbreden. Moreelse was daar wel geweest, maar Bloemaert helemaal niet. Toch was hij goed op de hoogte van de stand van zaken in zijn vak.
We dalen even af naar de gracht om de console voor Anna Maria van Schurman te bewonderen en lopen dan naar het naar haar genoemde hofje. Je hebt werkelijk geen idee dat je midden in een drukke stad bent, zo rustig als het hier is. Over een ander hofje met nog een oude slangenmuur, komen we uit bij het voormalige Leeuwenbergh Gasthuis, in de 16e eeuw gebouwd als pesthuis.
Aan de Oudekamp staan we stil bij het prachtige tegeltableau dat aan een muur is aangebracht, naar een schilderij van Joost Cornelisz Drooghsloot uit 1660. We hebben een prachtig gezicht vanuit het westen op de oude stad met de vele torens. Veel plekken zijn nog steeds te herkennen, anderen zijn er niet meer, zoals het Sint Jobgasthuis. Bij dit gasthuis was ook een galerij waar schilderijen werden tentoongesteld.
In de Herenstraat woonden Jan van Bijlert en Cornelis van Poelenburgh tegenover elkaar. Van Poelenburgh was ook schilder geweest aan het Engelse hof en werd blijkbaar erg belangrijk gevonden, want na zijn overlijden luidden de klokken van de Dom maar liefst een uur lang.
Over Domklokken gesproken, we horen het beiaard al enige tijd spelen. Even later staan we aan de achterzijde, bij de Pausdam, waar het beeld van Paus Adrianus staat, de enige Nederlandse paus, geboren in Utrecht én vastgelegd door een Utrechtse schilder, Jan van Scorel.
We lopen het pandhof van de Dom door en staan dan op het Domplein. Onze gids wijst aan waar de ooms van Gerard van Honthorst woonden. Zij waren kannunik geweest bij een van de collegiale kerken die Utrecht rijk was.
Gerard had zijn opleiding gekregen van zijn vader en Bloemaert en was op reis geweest naar Rome. Nu is er een tentoonstelling in het Centraal Museum over hem, maar de wandeling loopt uit. Dat wordt een volgende keer.
We staan stil bij de Zadelstraat. Waarom heet die straat zo? Is het omdat deze straat een lichte verhoging heeft, een soort zadel? Of was het omdat de nieuw gekozen bisschop zich in de nabije Buurkerk omkleedde voor zijn investituur in de Dom en dan hier in het zadel werd geholpen? De meest waarschijnlijke verklaring is de straat genoemd is naar het zadelaarsgilde, dat in de naastgelegen Boterstraat samenkwam.
Uit dit zadealaarsgilde ontstond het Sint Lucasgilde van de schilders, met als voorman Moreelse.
Het uit 1260 stammende huis ‘Het Keijsers Wapen’ was enige tijd de woning van Roelant Savery, in Vlaanderen geboren, maar sinds 1618 in Utrecht gevestigd. Savery was hofschilder van twee keizers van het Heilige Roomse Rijk, Rudolf II en Matthias, vandaar de naam van zijn huis. Roelant hield wel van een neut en kwam daardoor in de problemen. Er werd van hem gezegd dat hij meer aandacht had voor de kleur van zijn neus, dan voor die op zijn palet.
Onze gids had ons een toetje beloofd en het lukt ook nog. We lopen een moderne hof op. De appartementencomplexen hebben de namen van Utrechtse schilders: Gerard van Honthorst, Dirk van Babuuren, etc. En hier, op deze plek woonde Abraham Bloemaert. We mogen mee naar de koele kelder ónder de appartementen en daar ligt een 14e eeuwse tegelvloer. De vloer is wel naar Bloemaert vernoemd, maar zelf heeft hij deze vloer nooit gezien. Hij kocht het claustrale huis dat hier stond in 1617 en toen was er allang een andere vloer op de oude gelegd.
We mogen ook nog een blik werpen in de parkeergarage, waar een middeleeuwse slokop ligt. Begonnen als grenssloot van de immuniteit van Sinte Marie, werd het 500 jaar geleden een overkluisde goot, die regenwater opslokte en in de singel spuide.
We nemen afscheid van onze gids en ik moet even mijn plan herzien. Ik wilde nu de tentoonstelling over Gerard van Honthorst bekijken, maar dat gaat me niet lukken, want ik heb nog een andere rondleiding.




Onder vlnr: de slangenmuur, het tegeltableu, ‘Het Keijsers Wapen’

