Het wilde niet vanmorgen. Alles verliep taai en traag. Het was koud en bewolkt. Ik moet met de fiets op de trein en daar zie ik ook tegenop. Maar uiteindelijk zit ik om kwart voor tien toch in de trein in Tiel. Ik ga via Arnhem naar Zwolle en daar beslis ik verder.
Volgende uitdaging: de trein puilde uit van de fietsen. Toch maar ergens ingestapt. In Dieren door de conducteur naar elders verwezen en gelukkig kon ik in de volgende wagon er nog bij.
In Zwolle besluit ik door te reizen naar Steenwijk en daar ben ik dan eindelijk, net na de middag.
Ik ga naar Frederiksoord heb ik onderweg besloten. Daar is een museum over de Koloniën van Weldadigheid. Jaren geleden was ik in Veenhuizen, dat ook tot diezelfde instelling behoorde.
In de 18e eeuw was Nederland verarmd. De handel was teruggelopen, de gevoerde oorlogen hadden veel geld gekost. Net als in Frankrijk ging men de straat op: revolutie. Napoleon kreeg het hier uiteindelijk voor het zeggen, maar dat duurde kort.
Koning Willem I erfde een verarmd land in 1813. In 1815 barstte in Indonesië vulkaan Tambora uit, de zwaarste vulkaanuitbarsting in onze recente geschiedenis. Gevolg: een klimaatcrisis. De temperatuur daalde wereldwijd en 1816 werd het jaar zonder zomer. En dus zonder oogsten met hongersnood als gevolg.
Ook Nederland werd getroffen. Door honger, ziekte, armoede, werkloosheid. Nu er geen oorlog meer was, waren de soldaten ook nog eens op zoek naar werk, dat er niet was. In de steden was de situatie soms tenhemelschreiend. En dan trokken velen ook nog van het platteland naar de stad, op zoek naar werk, dat er niet was.
In een tijd dat armoede soms ook gezien werd als een straf van God of als teken van immoraliteit, kwam Johannes van den Bosch met een uniek plan.
Hij richtte de Maatschappij van Weldadigheid op. Weldaad moet je lezen als liefdadigheid, maar dan wel op zijn manier. De mensen kregen niets. Ze moesten echt alles terugbetalen.
Hij wil grond kopen in Drenthe (toch ruimte zat) en die dan laten ontginnen. Er komen kleine boerderijtjes, allemaal gelijk, zelfde lapje grond erbij, iedereen krijgt een koe, zaaigoed, gereedschap, een spinnenwiel, meubels, beddengoed, en twee stel kleren (voor het werk en voor de zondag).
Hij krijgt voldoende steun en vernoemt de proefkolonie, zoals hij het gebied noemt, naar de erevoorzitter van de Maatschappij, prins Frederik, de jongste broer van de koning.
In het museum kun je elke 20 minuten een animatie bezoeken en ik ben net op tijd. En alleen.
Ik stap binnen in het Amsterdam van 19e eeuw. Foto’s van hoge huizen, nauwe steegjes, geluiden van koetsen en karren en mensen. En dan een stem: Kunt u wat missen? Dan kan ik m’n kind te eten geven?
In de volgende zaal volg ik vijf families die in Frederiksoord hebben gewoond.
- Uit Amersfoort Hendrik Metz, oud-soldaat, die samen met zijn gezin van aalmoezen leeft.
- Uit Zaandam oud-soldaar Johannes Weender en zijn vrouw Grietje, een spinster. Het is hen onmogelijk werk te vinden.
- Uit Broek in Waterland Jan Cornelis en Hendrikje Westerveld, landarbeider en spinster. Er is geen werk voor ze.
- Uit Gorinchem de familie Biemans. Vader Leonardus was zijn baan als wever kwijtgeraakt.
- Uit Leiden tenslotte spinner Johan en weefster Johanna van der Heijden, beiden werkloos.
Alle gezinnen hebben twee of meer kinderen, want dat ziet de Maatschappij graag. Vooral kinderen van rond de 10 jaar, want die kunnen meehelpen.
Het valt de families niet mee. Eerst worden ze allemaal naar Amsterdam gebracht. Vandaar moeten ze met de boot naar Blokzijl over de Zuiderzee. Vandaar met de trekschuit naar Steenwijk en dan lopen.
En dan werken op het land. De mannen hadden dat nog nooit gedaan, de vrouwen ook niet, maar zij werden geacht ook veel te spinnen en te weven en dat kon een aantal wel.
De kinderen gingen naar school. Er was leerplicht, 80 jaar voordat die landelijk van kracht werd. Met 10 jaar gingen ze overdag werken en drie avonden in de week naar school, net zo lang tot ze konden lezen en schrijven.
Er was gezondheidszorg voorhanden. De familie Van der Heijden maakt het aan den lijve mee. Moeder wordt ernstig ziek en dagelijks bestuurder Benjamin van den Bosch (jongste broer van…) vraagt zijn oudere broer om advies. Het kost Johannes moeite, maar uiteindelijk is het advies: blijven ondersteunen. En ze komt er bovenop… Sociale zorg voordat die in Nederland bestond. De familie vertrekt na 15 jaar en gaat terug naar Leiden, maar de zoon blijft op het bedrijf.
De familie Metz vergaat het minder. Het zevende kind wordt zes weken na aankomst geboren, maar de andere kinderen weten wel raad met het huisraad. Verkopen, die handel. En ze worden ook nog eens bedelend aangetroffen. Dat kan écht niet! En de familie kan na zes maanden vertrekken.
De familie Weender verliest man en vader, maar Grietje kan blijven wonen in haar huisje, wel met iemand anders er bij in. Later woont ze bij haar dochter.
Ze kunnen ook medailles verdienen met hun goede opbrengsten. De familie Biemans lukt dat niet, hebben zelfs de slechtste score, maar blijkbaar hebben ze een goede babbel, want ze krijgen leningen los. Ze blijven wonen in Frederiksoord.
Tenslotte Westerveld. De familie werkt hard, krijgt zelfs een zilveren medaille voor de aardappeloogst en kan uiteindelijk naar een grotere boerderij verhuizen.
Alle Verlichtingsidealen en maakbaarheidsideeën ten spijt, kan de kolonie zich niet zelf bedruipen. Toch is het experiment niet echt mislukt. Voor 70% van de bewoners was de kolonie de kans op een beter leven, zonder of met minder armoede, betere kansen voor hun kinderen.
Ik fiets nog even een stukje door het dorp naar het kolonistenhuisje. Tuurlijk, het is klein, maar ik kan me zo voorstellen dat men best blij geweest kan zijn. Ze hadden onderdak, een koetje in de stal, een tuin met eten, een bed om in te slapen.
En nu nog 40 kilometer fietsen. Gelukkig heb ik de wind in de rug en is het schitterend weer. Een prachtige route brengt me door het Holtingerveld. Ik neem even een foto van dit gebied en probeer me in te beelden hoe dat moet zijn geweest. Een lege vlakte, huisjes, een zandpad, wat kanaaltjes…




