Als ik de schelp tegen mijn oor hield, hoorde ik de zee ruisen. Ik geloofde het heilig en ik kocht de gestippelde schelp voor mijn ouders. Ik was op schoolreisje in een museum over schelpen. Ik zag daar een oude mevrouw, die er best streng uitzag die met een stok liep. En meer herinner ik me niet van die dag.

Vanmorgen zat ik weer eens vroeg in de trein, richting Steenwijk, en na heerlijke koffie mét in vakantiepark De Bult belanden we in Vledder.
De regen is opgehouden, het lijkt ook droog te blijven en we maken eerst een wandeling vanuit dit Drentse esdorp.
De naam komt naar alle waarschijnlijkheid van het Oudnederlandse woord of dialectwoord ‘vledder’ voor drassig land of moeras. Het dorp ligt ook wat lager, nabij de Vledder Aa. Een andere mogelijkheid is dat het komt van de vlierstruik die in de volksmond ook vledder werd genoemd en in deze omstandigheden rijkelijk kan groeien.

We lopen langs de 15e eeuwse Johannes de Doperkerk, de restaureerde gerfkamer (gerf = gerief als in benodigdheden voor de eredienst) en een paar gerestaureerde boerderijen. De klinkerweg loopt langzaam omhoog en dan lopen we es op. We lopen langs de weilanden in de richting van de bossen rondom het prachtig gelegen Vledderhof, een 19e eeuwse villa-boerderij.
De zon is inmiddels zelfs doorgebroken en we lopen verder door de bossen richting Vledder en na bijna 9 kilometer is het tijd voor de lunch.


Een klein eindje buiten het dorp staat ons doel van vandaag: Zeemuseum Miramar, het museum waar ik als kind op schoolreisje naar toe ben geweest. En al klopt het natuurlijk niet dat ik de zee hoorde ruisen in de schelp -dat was mijn eigen bloedsomloop- het blijkt wel te kloppen dat ik die oude dame heb gezien. Dat was juffrouw Warners in haar museum Miramar of Aanschouw de zee.


Het museum heeft een tentoonstelling aan juffrouw -let wel: juffrouw, geen mevrouw- Warners gewijd: Warners Wijde Wereld. Logisch, want haar levensverhaal blijkt net zo bijzonder te zijn als haar verzameling.


Adriana Wilhelmina (Jroepnaam Jeanne) werd in 1899 geboren in Leersum als oudste kind en enige dochter in een predikantsgezin. Zij kreeg nog drie broers. Haar naam veranderde in ze in 1935 officieel in Jeanne Adriana Wilhelmina, zodat haar roepnaam ook haar echte naam werd.
Ze kampte met gezondheidsproblemen als bloedarmoede en scoliose en miste daardoor veel school. Toch lukte het haar zich te ontwikkelen, ook terwijl haar ouderlijk gezin verhuisde. o.a. naar Den Helder waar haar vader de eerste vlootpredikant werd.
Na het overlijden van haar vader werd zij mantelzorger van haar moeder, in Oosterbeek.
Intussen had ze allerlei opleidingen gevolgd, tot wijkverpleegster, kinderverzorgster, politieinspecteur en psycholoog. In de oorlog begon ze een eigen praktijk als psycholoog/pedagoog. Oosterbeek werd in 1944 geëvacueerd en Jeanne en haar moeder moesten naar Friesland waar Jeanne in het verzet kwam.

Haar moeder overleed in 1954 en daarmee lijkt een dam te zijn losgebroken in haar leven. Ze gaat in 1955 op vakantie naar Mallorca waar ze een brandhoren of stekelhoren vindt. Ze krijgt het idee om een museum te beginnen om mensen de wonderen van de zeeën te kunnen laten zien.
Vanaf dat jaar reist ze vrijwel ieder jaar grote delen van de wereld over en verzamelt alles wat ze maar kan vinden. Soms zoekt ze na wat vissers weggooien bij het legen van hun netten, ze krijgt schelpen aangeboden, koopt ze zo nu en dan. Alles, maar ook werkelijk alles wat haar interessant lijkt, gaat mee terug naar Nederland.

Ze reist per vrachtschip en de spoorbeambte van station Steenwijk plant in de nachtelijke uren haar reizen voor haar. Dat is trouwens iets wat haar kenmerkte: ze verwachtte dat ze geholpen zou worden als ze dat vroeg. Zo ging ze soms gewoon op de weg staan als ze een lift nodig had en de eerste de beste chauffeur was zo goed niet of hij nam haar mee.

Ze nam op reis een stapel lege koffers mee op het onderstel van een kinderwagen en als ze terugkwam zaten die helemaal vol. Ook liet ze kisten vol naar Nederland vervoeren, al ging dat niet altijd van een leien dakje. Zoals ze zelf schrijft: “In Bombay zag ik een Nederlands schip in de haven liggen. Ik zei tegen de kapitein: goede man, wilt U in het belang van het Nederlandse cultuurbezit een paar kisten voor mij mee naar• huis nemen? Dat wilde hij wel. Opgelucht kon ik naar een bioscoopje in de buurt. Weer buiten komend, zag ik in een krantenstalletje een poster met het opschrift: ‘Nederlands schip in brand! Met een taxi vloog ik naar de haven. Het was inderdaad het schip dat ik benaderd had. Alle kisten zijn verbrand en het schip is kort daarrna gekapseisd.”

Ze nam les in het identificeren van molusken ofwel weekdieren en kon daardoor haar verzameling categoriseren. Alles werd in haar huis in Oosterbeek tentoongesteld, waar ze vanaf 1956 bezoekers ontving.

Na tien jaar was haar huis te klein geworden en via de burgemeester van Vledder, die haar collectie bewonderde, kreeg ze kans haar museum in het voormalige opleidingsgebouw voor kraamverzorgsters aan de rand van dat dorp te vestigen. Boven woonde ze, beneden stond haar verzameling.

In het museum zijn filmpjes te bekijken waarop juffrouw Warners in een zeer zorgvuldig Nederlands haar verhalen vertelt. Tevens zijn nieuwe filmpjes ingesproken door een actrice die zich helemaal in haar karakter heeft ingeleefd.

Op allerlei borden worden anekdotes over juffrouw Warners verhaald. Haar strenge regels voor museumbezoek, vrouwen en meisjes werden soms geweigerd als onwelgevoeglijk gekleed waren (minirok of korte broek), kleine kinderen die niet naar binnen mochten omdat ze met hun handjes alles zouden aanraken. Haar ontvangst van privé-gasten met sherry brandy en Maria-kaakjes met jam.

Tussen 1956 en 1986 houdt ze haar museum in de zomermaanden open. In de wintermaanden gaat het museum dicht en met de opbrengst gaat juffrouw Warners bijna elk jaar op reis.


We lopen niet alleen door haar levensverhaal, maar ook door haar verzameling. Zee-egels, schelpen in werkelijk alle soorten en maten (van de gigantische doopvontschelp tot de minuscule venusschelpjes), schildpadden, koralen, roggen, krabben, kreeften, echt te veel om op te noemen.

Bij de laatste stop is het interieur van haar werkkamer opgesteld, een breiwerkje op de bank, opgezette vogels, een microscoop, een platenspeler.

Zij leefde haar leven op haar manier en zo regelde ze ook haar begrafenis. Ze had een graf gekocht op de begraafplaats in Eesveen, omdat die haar wensen, met het gezicht richting het oosten begraven worden in een groter graf dan gebruikelijk, wel inwilligden. De overlijdensadvertentie schreef ze zelf, haar steen met grafschrift was ook besteld (zonder data) en de LP’s voor de uitvaartdienst lagen klaar. In de vitrine zie ik ze liggen. In potlood staat geschreven: ‘te spelen wanneer de kist zakt’ en op weer een ander welk stuk gezongen door Kathleen Ferrier moet worden gedraaid.

Een geheel authentiek mens. Op 3 juni 1986 overleed ze, toch nog onverwacht. Ze werd ziek, werd in Zwolle in het ziekenhuis opgenomen waar ze stierf.


Het museum kon blijven bestaan omdat in 1984 een stichting Vrienden van het museum was opgericht, die na haar overlijden de exploitatie ter hand nam.

We zijn vol bewondering als we het museum verlaten. Ten eerste voor de natuur, de schepping, voor de zee zo vol met de meeste bijzondere wezens. Ten tweede voor deze vrouw die op geheel eigen wijze een erfenis achterliet.


Thuis gekomen loop ik naar mijn vitrinekast. Daar ligt de schelp die ik zo’n 50 jaar geleden kocht bij juffrouw Warners. Hij is terug bij mij, vanuit de erfenis van mijn ouders. Ik hou ‘m tegen mijn oor en hoor de zee.

Vledder en omgeving met boven de Johannes de Doperkerk en middenonder Vledderhof
omgeving Vledder
omgeving Vledder
schelpen in allerlei vormen met linksboven de doopvontschelp
schilpadden, koraal, krabben, vensterschelpen
rechtsonder de wereldkaart met lampjes
rechtsonder de eerste schelp van juffrouw Warners

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.