Griekenland
In de 3e eeuw voor Christus leefde er in het Hellenistische Rijk een zekere Ktesibios, een wetenschapper, technicus, wiskundige en uitvinder, afkomstig uit Alexandrië in Egypte.
Hij schreef de verhandelingen over de wetenschap van samengeperste lucht en het gebruik daarvan in pompen en over zijn werk op het gebied van de elasticiteit van lucht. Vader van de pneumatiek wordt hij wel genoemd. Helaas is van zijn geschriften niets bewaard gebleven.
Hij werkte voor Egyptische koningen Ptolemaeus I Soter en Ptolemaeus II Philadelphus in het Alexandrijnse Museon.
Terzijde: de Hellenistische wereld was groter dan modern Griekenland. Het besloeg het grondgebied van het Macedonische rijk, dat bestond uit stamland Macedonië, het Griekse vasteland, het voormalige Perzische rijk, Egypte en het noordwesten van India, en de Griekse opvolgersstaten daarvan.

Rond 246 v.Chr. ontwerpt hij een stuk muzikaal speelgoed, mechanisch bediend door pompen. Hij noemt het hydraulis, van de Griekse woorden ὕδωρ (hudōr) voor water en αὐλός (aulos) voor pijp). Het bevatte vaste onderdelen, maar de druk werd geregeld door water, vandaar de naam ‘waterpijp’. Eerst nog eenvoudig, zonder register, maar al twee eeuwen later was er een instrument bediend door twee pompen met wel acht verschillende registers. Het instrument werd tot zeker in de 4e eeuw na Christus gebruikt.
Van één zo’n instrument, uit 228 n.Chr., zijn resten gevonden en gerestaureerd.

De ontwikkeling van het orgel, want daar hebben we het over, bleef niet stilstaan. De luchtdruk door water regelen was lastig en onvoorspelbaar. In de 2e eeuw n.Chr. werd de luchttoevoer gestabiliseerd door gebruik van blaasbalgen.
De ondergang van het Romeinse Rijk was ook de ondergang van het orgel in het West-Romeinse Rijk. Wel bleef het bestaan in het Oost-Romeinse Rijk en in de Arabische wereld, voornamelijk als symbool van macht en rijkdom.

In de 8e eeuw komt het orgel terug in West-Europa, als Pepijn de Korte (vader van Karel de Grote) een orgel cadeau krijgt van keizer Constantijn V Kopronymos.
Dat werd het begin van een grote opmars van dit instrument door heel Europa. Groot en klein, verplaatsbaar, hangend aan wand, staande op de grond of een orgelbalkon, met of zonder pedaal, met één of tot wel vijf klavieren, met enkele registers tot een paar honderd registers. In alle variaties zijn en worden nog steeds orgels gebouwd.


Italië
Ik had een fietstocht in gedachten voor vandaag en die heb ik al weken op mijn lijstje staan. Maar net als de beide vorige keren dat ik deze tocht wilde fietsen, gooide het weer roet in het eten. Vandaag is dat een enorm buiencomplex. Dan maar met de trein.
Om kwart voor 11 sta ik op station Vleuten. Op naar de Torenpleinkerk. Deze stoere middeleeuwse kerk begon het leven als Willibrorduskerk. Het eerste stenen kerkje stamt uit 1300. In 1831 werd de kerk grondig verbouwd waarbij twee traveeën afgebroken en toren en kerk gescheiden werden. Het koor was al afgebroken en het restant van de kerk werd verbouwd tot een vierkante zaalkerk. In 1971 werd de kerk gerestaureerd en zijn de afgebroken traveeën herbouwd. Het verklaart het moderne interieur van de kerk.
Alleen de oude preekstoel én het oude orgel zijn overgebleven.

Het orgel is van de hand van Gideon Thomas Bätz, besteld in 1810 door de Remonstrante gemeente van Utrecht. Die kon de rekening niet betalen en het orgel verhuisde naar de Francisus Xaveriuskerk in Amersfoort. In 1866 werd het naar hier verplaatst. De kerk is niet erg groot, maar het orgel oogt zelfs hier erg klein.

Totdat de organist begint te spelen. Het orgel heeft meer stem dan je zou denken. Organist Scheele heeft een programma met als thema Italiaanse meesters. Bekend en onbekend wisselen elkaar af. Gabrieli (geb 1510), Da Palestrina, Frescobaldi, Merula, Corelli. Dall’Abaco, Scarlatti, Pergolesi en Galuppi (overl 1785). Een tijdsbestek van ruim twee eeuwen.
De deuren staan open, het orgelspel wordt opgeluisterd door de harde wind en even later ook door de stromende regen. Wat een heerlijk rustmoment.


Frankrijk
In de regen loop ik het korte stukje terug naar het station. Op naar Utrecht. Ook dan regent het nog en ik zoek mijn heil in een cappuccino met wat lekkers.
Om iets voor half drie sta ik bij de Dom. Het Festival Oude Muziek is momenteel gaande en de organisatie heeft Vincent Dubois uitgenodigd voor een orgelconcert.
Ik zit helemaal achterin, naast het voeteneind van het praalgraf van adminiraal van Ghent en zie de kerk in een half uur tijd helemaal volstromen.

Deze oude gotische kerk heeft vier orgels en het grootste daarvan hangt tegen de muursluiting naar het Domplein. Het is gebouwd in 1825 door de broers Jonathan en Johan Bätz waarbij ook registers van het oude De Swart-orgel uit 1569 werden gebruikt.
Het uiterlijk is prachtig 19e eeuws en nu ik rustig de tijd heb om naar het front te kijken, bedenk ik dat de versieringen wel drie grote palmbomen lijken.

Dubois begint met Bach, maar dan wel de Franse Bach, zijn Pièce d’orgue, BWV 572. Dan gaan we naar Franse componisten, François Couperin (Offertoire sur les grands jeux), Nicolas de Grigny (Tierce en taille), Francis Poulenc (Suite française d’après Claude Gervaise) en Louis Vierne (Naïades). Was dit allemaal al erg mooi, Dubois sluit het literatuurdeel met Widor, diens befaamde en zeer feestelijke Toccata in F op. 42 nr. 5 en vervolgens een improvisatie op Ave Maris Stella, een knipoog naar de Notre Dame in Parijs waar hij werkt.

De staande ovatie is meer dan verdiend.


Nederland en Duitsland
Ik loop een kennis tegen het lijf en ga even wat met haar drinken, maar ik had voor vanavond ook nog een keuze te maken. Ga ik naar huis? Of ga ik naar Hilversum voor een orgelconcert? Of ga ik naar Wijk bij Duurstede?
Wijk bij Duurstede wordt het. Ik ga daarom eerst met de trein naar huis om dan met de speed-pedelec naar Wijk te gaan.

Vanavond wordt daar de spotlight op de Orpheus van Amsterdam gezet: Jan Pieterszoon Sweelinck en dan niet alleen als organist/componist maar ook als leraar. ‘Organistenmacher’ wordt hij in het Duits genoemd.
Hij bewoog zich in een voortdurend veranderende wereld. Als katholiek werkzaam in een protestantse kerk, op enig moment alleen niet meer spelend ín de kerkdiensten, maar er omheen, gaf hij les aan studenten die vanuit Noord-Duitsland naar hier kwamen. In 1605 was de Lutherse kerk officieel toegestaan in de stad en uit Lutherse steden in Duitsland stroomden ze toe, vanuit Hamburg, Danzig, Königsberg, Hannover, Berlijn, Halle en Leipzig. In het programmaboekje worden er 13 bij name genoemd. Via het onderwijs dat deze organisten bij Sweelinck volgden werd Hamburg een bolwerk van Noord-Europese orgelkunst. En Bach kan daartoe als laatste vertegenwoordiger worden geregend.

In de Grote Kerk van Wijk bij Duurstede staat een orgel van bouwer Kiespenning, en vermoed wordt dat Sweelinck hier is geweest om het orgel te keuren. Als ik lees dat het 16e eeuwse orgel in het begin van de 17e eeuw is vervangen, heb ik wel mijn vraagtekens, maar wat geeft het.

Zes vocalisten en zeven instrumentalisten brengen muziek van Sweelinck en een paar van zijn leerlingen. Natuurlijk een paar van Sweelincks psalmzettingen, Psalm 23, Psalm 110 en Psalm 98, maar ook psalm 130 in de Latijnse traditie. Verder muziek van leerlingen Samuel Scheidt, Heinrich Scheidemann, Jacob Pretorius, Melchio Schildt en Andreas Düben.
De afwisseling van vocaal, instrumentaal en orgelsoli zorgt voor een boeiende avond.

Het is al helemaal donker als ik de rivier weer oversteek naar de Betuwe. Op naar huis.

PS: de grote foto bovenaan is van een schilderij van Pieter Lastman, leermeester van Rembrandt en zelf leerling van Gerrit Pietersz. Sweelinck, geschilderd in opdracht van Jan. Het stelt koning David voor die offers brengt en zingt voor de Ark van het Verbond die net naar Jeruzalem was teruggekeerd. Om David heen zingt en musiceert het volk.

Torenpleinkerk
de Dom van Utrecht
Wijk bij Duurstede
het aloude geeltje met Jan Pieterszoon Sweelinck

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.