Het einde van het jaar zit vol tradities, sommige klein en familiegebonden, sommige landelijk en algemeen bekend. Ik pak er zomaar een paar bij de kop.
Lawaai
Dat lawaai maken is al sinds mensenheugenis onderdeel van deze donkere periode van het jaar. Of het nu ratelen met ratels was, het afschieten van donderbussen of het knallen met carbid in melkbussen is, het is zo oud dat we niet meer weten waar het vandaan komt.
Vuurwerk kennen we eigenlijk nog niet eens zo lang, nog geen 100 jaar. Pas in de jaren 1930 kwam vuurwerk naar Nederland, met Indië-gangers mee.
Carbid schieten heb ik zelf ook nog gedaan Mijn vader haalde een heel klein beetje carbid en dan was het schieten geblazen met een verfblikje. Tamelijk onschuldig, want toen ik in Kampen kwam wonen, kwam ik er achter dat carbidschieten met melkbussen op oorlog lijkt. Langs de Zwartendijk stonden ze in een lange rij opgesteld en dan achter elkaar afschieten. Een lawaai, verschrikkelijk, net kanonsschoten. En nooit, maar dan ook nooit!, kijken waarom een deksel er niet afvliegt.
Maar waarom er lawaai gemaakt wordt met oud en nieuw? Het lijkt een soort oer-behoefte te zijn, maar waarschijnlijk gaat het terug op het verdrijven van de boze geesten van het duister en het aansporen van het licht om terug te komen. De Germanen noemden dit het joelfeest, en nog steeds komt dit woord voor in de Scandinavische talen, het Ests en het Fins. Het heeft niets met ons woord joelen te maken. Dat woord, joelen of jolen, is een klanknabootsing, terwijl joel waarschijnlijk teruggaat op een oud woord dat iets als vrolijkheid zou kunnen betekenen.
Midwinterhoorn
Toen ik onlangs in Vorden rondliep, blies daar iemand op de midwinterhoorn. Zo’n mooi geluid vind ik dat. Klagend en donker, soms meer voelbaar dan hoorbaar. Echt een geluid dat hoort bij deze tijd van het jaar. De traditie zoals we die nu kennen in Nederland is minder oud dan je zou denken. Rond 1919 kwam het blazen pas echt weer op, toen er meer aandacht kwam voor de midwinterhoorn. In Twente zijn er zelfs kampioenschappen ‘murreweenterblaozen’.
De hoorn zelf lijkt veel op een alpenhoorn, is licht gebogen en gemaakt van berken-, wilgen- of elzenhout. Het mondstuk is van vlier en wordt ‘happe’ genoemd. Er kan op de hand geblazen worden waarbij de lange hoorn in de hand wordt gehouden, maar ook boven een put. Behalve dat dit het geluid versterkt, is het ook handig bij de ‘natte’ hoorns. Deze hoorn wordt gemaakt van twee stukken uitgehold hout die met mattenbies en hoepels van bies aan elkaar worden gebonden. De hoorn wordt dan in water gelegd, waardoor het hout uitzet en de naden luchtdicht worden. Én de hoorn wordt heel zwaar waardoor de put als steun dient bij het blazen. Na het blazen wordt zo’n natte hoorn bewaard in de put, in het water.
Oudjaarsslepen en -stunten
Een traditie die in mijn jeugd meer voorkwam dan nu, maar nog steeds worden her en der in het land nu vooral grote zaken ontvreemd, die dan na Nieuwjaar weer opduiken. Het is een ‘jonge’ traditie, uit de 20e eeuw, vooral in Gelderland, Overijssel en Drenthe.
Ik weet nog dat bij ons thuis op het erf een machine ontbrak. Mijn vader wist meteen dat er was gesleept. Maar waar was het? We reden naar de kerk en onderweg zagen we de machine staan. Bij de smid. Kwam dat goed uit, want mijn vader wilde die daar na nieuwjaar toch al naar toe brengen.
Een andere keer kan ik me herinneren dat op oudjaarsavond de stoep van de kerk was volgezet met kuilvoer. Gelukkig was er nog een ingang.
Dit zijn nog maar hele kleine dingen, zeker vergeleken bij de grote stunts zoals het ontvreemden van Gorbatsjov uit Madame Tussaud en Lenin bij Koop Tjuchem. De oudjaarsstunt in voortgekomen uit het oudjaarsslepen. Dat slepen ontaardde in brandjes en daarop werd in sommige dorpen (vooral in Friesland) besloten een oudejaarsvereniging op te richten voor een centraal feest in het dorp. En op termijn kwam daar de stunt bij: ergens iets bijzonders ontvreemden om zo de aandacht op het dorp te richten. Het ontvreemde voorwerp wordt altijd teruggebracht.
Knijpertjes en rolletjes
Ik vond en vind het nog altijd erg lekker, die rolletjes, en helemaal als er wat slagroom bij is. Mijn moeder had altijd een grote doos Vegter’s Rolletjes in huis om na het oudjaar te presenteren.
Zowel het knijpertje (of kniepertie) als het rolletje wordt in een wafelijzer bereid. Dat ijzer knijp je dicht, vandaar de naam. En het rolletje wordt meteen uit het ijzer om een houten stokje gerold.
Het kniepertie symboliseert het oude jaar, je weet wat er gebeurd is. Het rolletje is het nieuwe jaar, wat komt is nog verborgen, maar het kan ook andersom. Het nieuwe jaar ligt nog plat en onbeschreven voor je en het oude is klaar en opgerold.
Oliebollen
In Nederland wordt al eeuwenlang de oliebol of oliekoek gegeten. De meest waarschijnlijke herkomst is dat Sefardische Joden (uit Spanje en Portugal) recepten voor hun oliekoeken met gedroogde zuidvruchten hebben meegenomen tijdens hun vlucht voor de Spaanse inquisitie.
Het baksel was eerst wat platter, maar later waren er ook bollere varianten. Vanaf 1868 staat de oliebol in de Dikke van Dale.
Maar waarom eten we ze juist in deze tijd? Wel, de kerst was in het verleden het einde van de vastentijd die met Sint Maarten (11 november) was ingegaan. Om dat te vieren werden oliekoeken gegeten, die gemaakt werden van houdbare ingrediënten. Ze waren niet alleen een lekker einde van de vastentijd, maar ook rijk aan calorieën en vetten. Wel handig aan het begin van het koude en vaak magere seizoen. Maar ze werden ook in de rest van het jaar gegeten.
Om Olie-koecken te backen (1668)
Neemt tot 2 pont Tarwe-meel / 2 pondt lange Rosijnen / als die schoon gewassen zijn / laetse in lauw water wat staen zwellen : een kop van de beste Appelen / schilt die en snijtse in heel kleyne stucken / de klockhuysen wel uyt gedaen / een vierendeel of anderhalf gepelde Amandelen / een loodt Caneel / een vierendeel loots witte Gember / een weynigh Nagelen dit wel onder een gestoten : een half kommeken gesmolten Boter / een groote lepel gist / en niet wel een pintjen lauwe Soetemelck / want het moet heel dick beslagen zijn dat het beslagh noch tay om de Lepel blijft / en dan alle het andere daer in geroert en soo laten opgaen / neemt daer toe een mengelen van de beste Raep-olie / doet daer in een korst broot een halve Appel / zetter op het vier en laet het uyt branden / keert het broot en Appel altemet om / tot het zwart en hart wort / gieter dan een schootien schoon water in / en laet het dan in de lucht kout worden / en daer naer weder op ’t vier geset / als ghy die wilt gebruycken.
Bron Wikipedia
Bach
Max Reger zei ooit: Bach ist Anfang und Ende aller Musik. En dan is het passend dat in sommige kerken rond de jaarwisseling een orgelconcert wordt gehouden met als thema: Met Bach het jaar uit. Een mooie traditie, vind ik.
Op 30 december was ik afgereisd naar Amsterdam, waar in de Westerkerk Matthias Havinga het jaar zou uitspelen op het Duyschot-orgel.
Hij speelt uiteraard muziek die past bij deze tijd van het jaar: een pastorella in vier delen (BWV 590). Pastorella komt van het woord pastor, schaapherder in het Latijn, en kun je dus laten verwijzen naar de kerstperiode.
Dan het Gloria uit de Lutherse diensten: Allein’ Gott in der Höh sei Ehr’, tegelijk een verwijzing naar de engelenzang uit het kerstverhaal. Hij begint met een koraalzetting en speelt dan drie prachtige koraalvoorspelen (BWV 662, 663 en 664).
Prelude en fuga BWV 544 is het middendeel en dan volgt het oudjaarslied bij uitstek: Das alte Jahr vervangen ist, mooi in alle soberheid.
Matthias luidt het oude jaar uit met vuurwerk. Ik noem even de volledige titel: Einige Canonische Veränderungen über das Weynacht-Lied ‘Vom Himmel hoch, da komm ich her’. Deze vijf variaties (en de vijfde bestaat weer uit vier delen) is een soort meesterstuk van Bach. Hij wilde aan het intellectuele publiek van universiteitsstad Leipzig tonen dat hij complexe problemen in de muziek kon oplossen. En canons zijn heel complex. Hoe hou je de originele melodie overeind terwijl diezelfde melodie er later nogmaals doorheen wordt gespeeld. En nogmaals. En nogmaals. Bach lukte het. In diverse toonsoorten, met omgekeerde canons. Maar daarbij mocht niet uit het oog worden verloren, dat het muzikaal aantrekkelijk moest zijn. En wat ik dan heel fascinerend vind: Bach ondertekent dit stuk met zijn naam. De laatste noten in de altpartij zijn de noten BACH, onze noten BesACB.


