Dat woord speelt door mijn hoofd, als ik door de donkere avond naar huis fiets. Tijdens de tocht van een kleine drie kwartier kan ik de lezing van vanavond even herkauwen. Want dat is wel nodig.
In Haaften in het nieuwe MFC verzorgt Aschwin Drost een lezing over sporen van het slavernijverleden in Gelderland en de West-Betuwe. En ik kan je verzekeren: dat is verhelderend, maar ook ontluisterend.

Nederland
Nederland ontleende ca. vier eeuwen lang zijn identiteit aan het feit dat het een kolonisator was. Zo heeft Nederland meer dan 500 koloniale oorlogen in de Indonesische archipel gevoerd.
En de kring van belanghebbenden bij de kolonisatie en de slavernij was groter dan alleen die van aandeelhouders, investeerders en eigenaars. Denk aan de toeleveranciers in Nederland: scheepsbouwers, zeilenmakers, hennepkwekers (zeilen werden van hennep geweven), smeden, bakkers (scheepsbeschuit), maar ook de pioniers die naar de plantages gingen en de militairen, nodig voor bewaking en de diverse oorlogen.

Die vereenzelviging van Nederland met de koloniale identiteit was zo sterk dat Nederland pas zeer laat de slavernij afschafte, in 1859 in Nederlands-Indië en in 1863 in het Caribisch gebied. Met dien verstande dat de vrijgemaakte slaven nog 10 jaar onder staatstoezicht voor hun voormalige eigenaren moesten blijven doorwerken. Zij kregen een schamel loon. Hun eigenaren werden ruimhartig gecompenseerd. En dat geld? Dat kwam uit Nederlands-Indië, waar via het cultuurstelsel (1830-1870) de bevolking werd gedwongen 20% van hun land te bebouwen met winstgevende exportgewassen voor de Europese markt. Denk aan koffie en suiker.

Kolonialisme
Het begint zo onverdacht. Kijk, ik heb hier iets moois! Zou je dat willen hebben? Ja? Mag ik dan van jou… (vul maar in). Of andersom natuurlijk.
Ruilhandel staat aan het begin van elke vorm van kolonialisme. Als de verhoudingen enigzins gelijk zijn qua macht en geweld, dan ontstaat een reguliere handelsovereenkomst. Zijn die niet gelijk?
Dan wordt overgegaan tot roof. Dat kan landroof zijn. Denk aan de ‘ruil’ van gebieden in het huidige Noord-Amerika. De inheemse bevolking bezat geen land, maar gebruikte het slechts. Ze wisten niet dat ze ‘officieel’ het recht op hun eigen land opgaven. Het begrip ‘bezit’ zei hen niets.
Het kan ook kaapvaart zijn. Dat is gelegaliseerde piraterij, waarbij de overheid de kaperkapiteins kaperbrieven gaf om vijandelijke schepen te kapen en te plunderen. Piet Hein was zo’n kapitein.

Geweld is het volgende stadium. Dat kan zijn om de door de inheemse bevolking onbegrepen rechten te waarborgen, de bevolking te dwingen tot verbouwen van de gewenste gewassen of om een monopolie te vestigen. Denk aan de Banda-eilanden en J.P. Coen.

Het vierde en laatste stadium is slavernij, waarbij de ene mens eigendom wordt van een ander en geen rechten heeft of kan uitoefenen. Het is een vorm van dwangarbeid. En deze slavernij nam in de 17 en 18e eeuw een hoge vlucht. Hiervoor werden in bijna 350 jaar meer dan acht miljoen mensen van het Afrikaanse continent als handelswaar verscheept naar de Amerika’s. Waar de slaafgemaakten vandaan kwamen is vandaag de dag vrijwel niet meer uit te zoeken. Soms kan DNA-onderzoek een klein lichtje laten schijnen, maar mensen werden in oorlogen gevangen genomen, over land getransporteerd naar de westkust en via de handelsposten per schip afgevoerd.
We krijgen een timelapse van de scheepsbewegingen door de eeuwen heen te zien en daarvan lopen me de rillingen over de rug. Wil je die ook bekijken? Klik dan hier.

Aan de andere kant van de wereld, in het gebied van de WIC, was het net zo erg, zo niet nog erger. Men is nog bezig om deze database in te richten, maar op termijn komt ook daar een vergelijkbare timelapse beschikbaar.

Na de afschaffing van de slavernij kwamen zo’n 35.000 Hindoestanen en zo’n 33.000 Javanen als contractarbeiders naar Suriname. Weer hele groepen mensen die over de aardbol gingen, niet als slaaf, maar toch? Niet voor niets hadden de plantage-eigenaren liever Javanen dan Hindoestanen. De Hindoestanen kon men niet naar eigen dunken gebruiken, hiervoor was goodwill van de Britten nodig.

Gelderland
Wat heeft Gelderland hiermee te maken? Gelderland was vertegenwoordigd in de Raad van Staten, in de Generaliteitskamer, in de Admiraliteiten (zeg maar de marine van de Staten-Generaal die eigen handelsposten bezat), in de VOC-kamer van Amsterdam en in de WIC-kamer van Amsterdam.
Daarnaast hadden de adellijke en regentenfamilies nagenoeg allemaal aandelen of belangen in plantages.

En dat werkt tot op de dag van vandaag door. Zoals in erfenissen, maar ook in de vanzelfsprekendheid van macht, zoals deze verankerd is in wetten en procedures. En vergeet niet de financiële instellingen (de ABN-AMRO heeft een rechtstreekse lijn naar die tijd). Het is een gezamelijke én gedeelde geschiedenis, niet een ‘zwarte’ bladzijde. Dat suggereert nl. dat je de bladzijde kunt omslaan en verdergaan als gelijken.

Plantages
De laatste jaren wordt veel onderzoekswerk verricht naar plantages, plantage-eigenaren en slaafgemaakten.
We zien een kaart van Suriname. Honderden plantages zijn daar te zien, zij aan zij. Zo’n 150 slaafgemaakten waren er per plantage nodig, afhankelijk natuurlijk van de aard van het gewas. Ook waren er bediendes nodig in en om huis, de zgn. huisslaven.
Verschillende Betuwse families bezaten een plantage in Suriname en sommigen woonden daar zelfs een tijd.

Willem Hendrik Rink, geboren in Tiel, gouverneur van Sint Maarten en eigenaar van plantage Retreat.
Adolph Tielenius Kruythoff, geboren in Tiel, trouwde op Sint Maarten met Sarah Gumbes. Hij was controleur op plantage Succession in Suriname. Zijn zoon Adolph bezit later plantage Hecht en Sterk en dochter Judith Rink (vernoemd naar Willem hierboven) erft de plantage van Willem die kinderloos sterft.
Willem Hendrik Pieck, eigenaar van kasteel Soelen én de gelijknamige plantage in Suriname, trouwt met Elisabeth van Aerssen, kleindochter van de gouverneur van Suriname.
Jacoba Maurina Spiering, geboren in Suriname, later jonkvrouwe de Mey in Lienden, krijgt compensatie voor ‘particuliere’ slaven.
En zo kun je de archieven doorpluizen op dit soort informatie. Overal is de slavernij terug te vinden.

Slaafgemaakten
En zij dan? Lijdend voorwerp waren ze, zelfs zo erg dat er veranderingen in hun DNA zijn terug te vinden. Al die jaren onderdrukking, wreedheid, ontmenselijking, angst. Het beroofd zijn van alles: naam, familie, cultuur, identiteit. Dat blijft niet zonder gevolgen. En die zijn er tot op de dag van vandaag.

Maar soms zijn in de archieven op onverwachte momenten hun namen terug te vinden. Zoals bij de compensatie van Jacoba Spiering. Daar worden zeven slaafgemaakten bij naam genoemd, tenminste de naam die ze van hun eigenaar hadden gekregen. Kwasibas, Marie, Cati, Dientje, Constant, Kobus en Christiaan. Even duiken ze op.

Bijvangst
Als je zoveel in de archieven neust en speurt, duikt er ook van alles op waar je niet naar op zoek bent. Aschwin was in de Amersfoortse archieven op zoek en vond daar bij toeval de namen van kolonisten uit de West-Betuwe die zich in Manahahtáanung (het huidige Manhattan) hadden gevestigd. Uit Tricht (1), de Tielerwaard (9), Tiel (14), Culemborg (8), Buren (10) en Beesd (26). Het is verder nog niet onderzocht, maar het is natuurlijk wel heel bijzonder dat uit een kleine gemeenschap als Beesd zoveel mensen in één keer vertrekken. Ze gaan aan boord van De Bever die op 9 mei 1661 vertrekt en op 29 juli 1661 aankomt. Hun namen? Allemaal noemen ze zich Van Beest, naar hun woonplaats die ze nooit meer zullen zien. Wat waren ze? Gelukszoekers? Berooide ambachtslieden? Landbouwers die er geen brood meer in zagen? Trouwens, hun overtocht werd betaald door de VOC.

Nog een keer slaafgemaakten
Zephyr, een huisslaaf, die bij Herman Kleijn woonde. Hij was afkomstig van kolonie Demerara in Guyana van de plantage de Onderneeming. Herman geeft zijn slaaf in april 1829 cadeau aan zijn verloofde. Op 14 oktober wordt Zephyr in de Betuwe vrij verklaard, twee dagen voordat Herman en zijn verloofde trouwen. Officieel was slavernij in Nederland nl. verboden.


Helena Fransie Spilate, haar doopakte duikt op in Ophemert. Ze wordt op 30 augustus 1789 gedoopt, haar dochtertje Aaltje wordt op 8 november 1789 gedoopt. In de tussentijd was Helena getrouwd met Ariën Kleij, een Ophemertse landbouwer. Helena was de dochter van ‘moorin’ Fransie Spilate. Moorin. Inderdaad, een Moorse ofwel zwarte vrouw. En die naam Spilate? Dat is een afleiding van de naam van hun eigenaar, Spillenaars.

Nog wat weetjes
●Johannes van den Bosch, commandant van het Nederlands-Indische leger, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, minister van Koloniën en Minister van Staat, werd in de Betuwe geboren, in Herwijnen.
●Bij Zoelen staat aan de Uiterdijk een prachtig landhuis. Het heet Djoerang, naar de plantage van de toenmalige eigenaar, Hasselman, die net terug was uit de koloniën.
●Bij de slavenhandel waren schepen betrokken met Betuwse namen: de Buren, de Haaften, de Culemborg, de Zoelen en de Geldermalsen. Dit laatste schip werd in de jaren 1980 wereldberoemd omdat het vergane schip werd teruggevonden met een schat aan porselein aan boord.
● Nederland werd bij de vredesonderhandelingen in 1814 gedwongen te stoppen met de slavenhandel in ruil voor de ‘teruggave’ van de koloniën.

Prudentia
In 1823 op 11 februari wordt Prudentia geboren. In Berbice ten westen van Suriname op koffieplantage La Prudence. Ze weet het dan nog niet maar ze is een slaafgeborene. Haar moeder was slaafgemaakte van Afrikaanse komaf en slavernij gaat via de moeder. Vader is een Nederlander, Gijsbert van Zadelhoff.
Hij komt uit Lathum aan de IJssel en is werkzaam als planter (dagelijkse leiding) op de plantage-eigenaars.
In 1827 dient vader een verzoek in om Prudentia vrij te verklaren en als ze zeven is vertrekken ze naar Nederland. Hartje winter komen ze aan in Lathum en drie dagen later overlijdt Gijsbert.
Oom Nicolaas neemt de kleine meid op in zijn gezin en dankzij de erfenis van haar vader is ze best wel rijk. Maar goed ook, want oom Nicolaas krijgt uit die erfenis een vergoeding voor haar kost en inwoning. Haar naam wordt gewijzigd in Maria Wilhelmina Gijsbertina (naar oma, opa en vader). Moeder was ze al kwijt, haar vader ook en nu haar naam ook nog.
In 1846 trouwt Maria met Albert Gerritsen, een buurjongen van haar oom Hendrik. Ze gaan in Westervoort wonen op Huize Vredenburg en krijgen drie kinderen. Ze verhuizen naar Arnhem en na 26 jaar huwelijk gaan ze uit elkaar. 77 jaar is Maria als ze overlijdt in het Bestedelingenhuis in Arnhem, een armenhuis dat ook verzorgingshuis was. Ze lijkt geen contact meer te hebben gehad met haar familie.

En hoe is dat verhaal aan het licht gekomen? Eén van haar nakomelingen kreeg voor de grap een DNA-test en daaruit bleek een Afrikaanse afkomst. Nu kreeg het verhaal over een ‘exotische tante’ betekenis, maar ook moest men in het reine zien te komen met het feit dat een betovergrootmoeder verwekt was tijdens verkrachting. Dader en slachtoffer tegelijk.

Plantages in Suriname
Slaafgemaakten aan het werk
Slaafgemaakten in het blok
Plantage Retreat

2 reacties op “Identiteit”

  1. Karine Avatar
    Karine

    Weer een mooi verslag Hendrien! Ik heb het gedeeld op de facebooksite van de HKWB.

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie op Karine Reactie annuleren