Ik fiets vandaag door laag Holland en Utrecht. Een prachtige tocht met de wind in de rug. Over dijkjes en dijken, door polders, langs rivieren en kanalen en molens. Holland in optima forma, kan ik wel zeggen.
Alphen aan den Rijn is waar ik start. Na eerst koffie mét, uiteraard. Het is een stad met een lange geschiedenis en alleen daarom wil ik nog een keer terugkomen voor een stadswandeling, maar vandaag fiets ik al snel langs de Oude Rijn de stad uit. Bij de Treinweg ga ik richting Aarlanderveen en inderdaad, de Treinweg ligt op het tracé van de voormalige spoorlijn Uithoorn-Alphen aan den Rijn. Deze lijn van 23 kilometer is in 1915 geopend en in 1936 alweer opgedoekt. De N231 volgt ook een deel van het tracé.
Net voor Aarlanderveen duik ik een lage polder in, de Putpolder, en daar staat ook de Putmolen, één van de vier molens die samen de enige nog werkende molenviergang ter wereld vormen. Alleen bij extreem hoog water of bij windstilte worden elektrische hulpgemalen bijgezet. Er is een wandeling in dit gebied uitgezet langs alle molens, maar dat bewaar ik (net als Alphen aan den Rijn) voor een andere keer.
Over de smalle dijk beland ik bij Zuideinde bij Nieuwkoop en dan een smal fietspad op dwars door de Nieuwkoopse plassen. Deze plassen zijn ontstaan aan het eind van de 16e eeuw door vervening van het gebied. Bij de watertoren (bekend als Pietje Potlood of Het Zoutvat) ga ik links de Meijedijk op. Ik fiets hier op de grens van Utrecht en Holland, zoals later ook blijkt uit de straatnaam Hollandse Kade.
Via Woerdense Verlaat fiets ik naar de Geer, een riviertje en een buurtschap, en dan via Portengen naar Breukelen. Ik heb nl. wel een doel vandaag. Om kwart voor één is daar een kort orgelconcert in de Pieterskerk.
De eerste parochie in Breukelen, destijds Attingahem geheten, is gesticht door Bonifatius in 720. Vlakbij de huidige kerk stond het eerste houten kerkje.
De huidige kerk stamt uit de 15e eeuw en is een éénbeukige kruiskerk. Heel merkwaardig is, dat de ingang middenachter in het koor is. Daar loop ik gelijk tegen een enorm marmeren grafmonument aan: de tombe van Johan Ortt, heer van Nijenrode, overleden in 1701, en zijn vrouw Anna Pergens (overleden 1732). Er hangen in het koor enorme rouwborden van de voorname families die rondom Breukelen op de diverse buitens woonden.
De kerk is erg merkwaardig ingericht. Er is een oksaal gemaakt tussen koor en schip met daarop het orgel en er onder de preekstoel. Vanwege de tocht zijn, ergens late 19e eeuw, op verzoek van de toenmalige predikant de openingen in het oksaal beglaasd.
Het bankenplan is ook al zo apart. Er zijn veel herenbanken, links en rechts in het transept, links in het schip en een hele grote tegen de toren.
Boven die bank hangt een enorme Lodewijk XIV-klok, tenminste, tot je beter kijkt en ziet dat het een groot bord is, planken aan elkaar, gezaagd in de vorm van zonnestralen, en met goud beschilderd.
De rest van de banken staat dicht op elkaar, en hoe verder naar achter hoe hoger de banken staan en dus zijn er overal opstapjes gemaakt.
Helemaal links achter is een grafkapel voor de familie van het huis Gunsterstein, gebouwd in de 18e eeuw, vol met rouwborden voor deze familie.
In het Rampjaar 1672 was de kerk samen met Oudaen blijven staan. De rest van Breukelen lag in puin. Ter herinnering daaraan hangen er twee grote borden uit 1675, met daarop twee lange gedichten waarin de jongemannen en jonge vrouwen van Breukelen worden bezongen die Breukelen eigenhandig hebben herbouwd.
Niet alleen de klok is een bedrieglijk staaltje schilderwerk, ook het orgel heeft zoiets. Tenminste, op de wand achter het orgel is een enorme Turkse tent geschilderd.
Het roomgele Bätz-orgel springt daardoor wel erg in het oog.
De organist, Ad van Pelt, heeft een leuk zomers programma in elkaar gezet dat bijna drie kwartier uur duurt. Op het positief (een klein pijporgel) begint hij met twee inventionen van Bach en daarna gaat hij de steile trap op naar het grote Bätz orgel uit 1787. Later klim ik die trap ook op, en dan zie ik balgtreden uit de grote houten kast steken. Het orgel kan dus ook met getreden wind worden bespeeld. Vandaag wordt dat niet gedaan.
Hij speelt een redelijk onbekende Prelude met fuga van Bach, dan een Voluntary van Boyce, twee stukken van Dubois en dan drie stukken van Margreet de Jong.
Even een heerlijk rustmoment.
Na de lunch op de Kerkbrink vervolg ik mijn fietstocht, eerst langs het Amsterdam-Rijnkanaal en dan langs de Vecht. Bij Oud-Zuilen kom ik nog een molencomplex tegen, dat echter niet met elkaar samenwerkte. Het zijn de grootste en de kleinste molen van de provincie Utrecht. De houten wipmolen uit 1830 is de Buitenwegse molen, de grote Westbroekse molen is een achtkante bovenkruier uit 1753. Respectievelijk bemaalden ze polder Buitenweg en het waterschap Westbroek en sloegen het water uit op de Nedereindsevaart, in 1426 gegraven om turf uit het achterland naar de Vecht te vervoeren.
In de tijd van de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd dit complex ineens erg belangrijk. De sluis in de Nedereindse Vaart kon gebruikt worden om de weilanden ten oosten van de Vecht in innunderen. En zo’n plek moet worden beschermd. Vandaar dat vlakbij twee betonnen groepsschuilplaatsen (kazematten) staan uit 1939.
Langs de Vecht rij ik de stad Utrecht binnen en ik ben precies op tijd om de trein naar huis te pakken.








