Wat hebben een veldheer en een kunstenares met elkaar te maken? Op het eerste gezicht helemaal niets! En op het tweede gezicht nog steeds niets. Toch kom ik ze vanmiddag samen tegen in het museum.

Op deze frisse en regenachtige dinsdag deed ik lekker rustig aan. Was draaien, wat opruimen, en dan wat handwerken. Om half drie zit ik in de trein en om drie uur ben ik bij het Stadskasteel in Zaltbommel. En daar kom ik ze tegen: Maarten en Fiep.

Maarten is Maarten van Rossum, Gelders legeraanvoerder, die leefde van ca 1495 tot 1555. Zoon van de heer van Rossum, een dorpje oostelijk van Zaltbommel, maakte carrière in het leger van de hertog Karel van Gelre. Van ruiter werd hij ritmeester ofwel leider van de cavalerie. Menig succesvolle expeditie volgde, o.a.  plundertochten naar Den Haag en Amsterdam en de verovering van Rhenen, Utrecht en Arnhem. En zo werd hij maarschalk van Gelre.

Het hertogdom Gelre verzette zich als laatste tegen inlijving in het grote rijk van die andere Karel, de grote Habsburger, in wiens rijk de zon niet onderging. Na de dood van hertog Karel was Maarten nog enige tijd in dienst van diens opvolger, Willem V van Kleef. Toen Gelre toch Habsburgs werd, ging Maarten in dienst bij keizer Karel V en vocht voor hem tegen Frankrijk.

Hij heeft niet alleen wapenfeiten op zijn palmares bijgeschreven, maar is zeker zo berucht vanwege zijn manier van vechten. Guerrilla-achtig was die, waarbij de lokale bevolking het nog zwaarder te verduren had dan gewoon was in die tijd. Zijn devies zegt het al: ‘Blaken en branden is het sieraad van de oorlog’.

Aan die oorlogen hield hij de nodige bezittingen over, hem ten geschenke gegeven door broodheer hertog Karel. De Cannenburgh bij Vaassen, Bredevoort, Lathum. Hij heette dan wel naar de heilige Maarten, maar mantels delen met bedelaars? 

En in Zaltbommel, vlakbij zijn geboorteplaats, liet hij in 1535 dit stadskasteeltje bouwen. Het is maar klein, zeker als je rekent dat de ontvangsthal vroeger open was, als doorgang voor koetsen en paarden naar de tuin. Het is nooit een kasteel geweest ter verdediging, maar voor bewoning. Maarten heeft er nooit gewoond. Zijn rentmeester beheerde het. Hijzelf was onderweg, ofwel voor zijn bezittingen ofwel om oorlog te voeren.

Vanuit de gang is links de grote zaal boven de kelder en rechts de voormalige opslagruimte. Boven is een grotere zaal over de volle breedte met een kleine wachtruimte.

Aan de buitenzijde is het nog echt middeleeuws, maar de Renaissance is al te zien in de versieringen boven de ramen. De hoektorentjes zijn niet helemaal orgineel. Cuypers heeft het pand gerestaureerd en van hem mocht het wel wat middeleeuwser. De hoektorentjes werden verlengd en voorzien van een spits.

In die bovenzaal ontmoet ik Sophia Maria Westendorp, beter bekend als Fiep. Zij werd in 1916 in Zaltbommel geboren en wist al heel jong dat ze illustrator wilde worden. Op aangeven van haar vader volgde ze een klassieke kunstenopleiding, in Den Bosch en later in Rotterdam. De oorlog gooide roet in het eten en Fiep woonde eerst bij Jan Campert en Ckara Eggink, en in 1942 weer in Zaltbommel bij haar ouders. Hier raakte ze betrokken bij het verzet en vervalste ze persoonsbewijzen en maakte ze situatieschetsen voor de geallieerden.

Als illustrator kreeg ze opdrachten voor diverse reclamecampagnes, maat we kennen haar het beste natuurlijk van haar illustraties van de boeken van Annie M.G. Schmidt. Fiep en Annie raakten in 1947 met elkaar bevriend en in 1952 kwamen hun geesteskinderen Jip en Janneke ten tonele. Ik weet nog dat op de kleuterschool werd voorgelezen uit deze boekjes. En de silhouetjes zijn iconisch geworden. Net trouwens als de rode kraanwagen van Pluk van de Petteflet. En nog veel meer.

Aan de Waalkade staan Jip en Janneke met Takkie parmantig aan de dijk. Zij kijken uit over de Waal net als ik op het terras. Ik zit net en er valt een buitje. Dan maar naar binnen. Na een hapje en een drankje stap ik weer op de trein. Naar Den Bosch voor -je raadt het al- een orgelconcert. Geerten van de Wetering, organist van de Kloosterkerk in Den Haag, zal spelen in de kathedraal.

De kas van dit orgel wordt tot de mooiste ter wereld gerekend. Het is vroeg 17e eeuws met prachtig houtsnijwerk in Renaissance stijl, uitgevoerd door een schrijnwerker uit Tirol. Het orgel zelf is minder oud, zo eind 18e eeuw, en gebouwd door de Duitse firma Heynemann.

De organist brengt een prachtig programma met maar liefst drie keer Bach: Fantasia c-moll (BWV 562), Ricercar a 6 uit Musikalisches Opfer (BWV 1079) en Passacaglia c-moll (BWV 582). Van Vasks het Te Deum en van Mendelsohn de Sonate VI für Orgel, het Vater unser.

Het eerste gedeelte gaat helaas volledig aan me voorbij, omdat ik in slaap val. Niet omdat het saai is, maar vanwege de ontspanning en vooral door het strakke ritme van de muziek van Bach. Niet erg. Van de rest geniet ik met volle teugen.


Plaats een reactie