Ik zit op een bankje, onder de geurende lindebomen langs de Avenue de Sceaux. Het is niet echt druk op de weg, wel op de parkeerplaats. Ik geniet van mijn broodje en een flesje verse jus d’orange. In de verte straalt het goud van de hekken en op het dak van de kapel. Zometeen weer in de bus voor de thuisreis en dan zit deze orgelexcursie er al weer op.
Vanmorgen was het relaxt. Pas om half 10 vertrekken, dus ruim tijd voor een uitgebreid ontbijt. Onze volgende concertlokatie is maar een paar kilometer rijden en zo staan we om 10 uur op de trappen van de Cathédrale Saint-Louis de Versailles.
De kerk is een echte barokkerk die in de 18e eeuw werd gebouwd als de parochiekerk van Versailles. Op 12 juni 1743 legde koning Lodewijk XV de eerste steen. De kerk is opgetrokken uit zachtgele steen, met de kenmerkende Franse grandeur, metershoge deuren, vierkante pilaren met kapitelen met acanthusblad. Achterin bij de prachtige Maria-kapel hoor ik een Maria-lied, gezongen door een klein groepje gelovigen, en vlakbij stuit ik op een borstbeeld van Saint Louis uit 2003.
Terzijde: Saint Louis, in het Nederlands Lodewijk de Heilige, was Lodewijk IX, koning van Frankrijk van 1226 tot 1279. Als 12 jarig jochie werd hij koning onder regentschap van zijn moeder die politiek zeer behendig manoevreerde en haar zoon bij zijn meerderjarigheid een groter Frankrijk naliet waarin de koning meer macht had ten opzichte van zijn heren. Lodewijk borduurde hierop voort en wist zowel binnenslands als daarbuiten als vredestichter op te treden.Wel ging hij mee op kruistocht (destijds een geloofskeuze). Met de zevende waarbij hij werd gevangengenomen en met de achtste die zijn dood zou worden. Al snel na zijn dood werd het proces tot heiligverklaring ingeluid en al in 1297, dus nog geen 20 jaar na zijn dood, werd hij heilig verklaard. Niet geheel belangeloos van de kant van de paus, want die wilde zich verzoenen met kleinzoon van Lodewijk, koning Filips IV, ook wel de Schone genoemd.
Christian Ott is onze gastheer en uit zijn naam kun je al opmaken dat hij Duitse wortels heeft. Hij groeide nl. op aan de oostkant van Frankrijk. Daarom licht hij zijn programma in het Duits toe. We mogen in het koorgedeelte van de kerk plaatsnemen, want we starten bij het koororgel.
Dit orgel is 1880 in gebruik genomen en gebouwd door Cavaillé-Coll. Hoewel klein heeft het een enorme zeggingskracht. Ik zit midden in het koor en kan de verrichtingen van de organist goed volgen, terwijl de muziek om me heen golft: een tedere Communion en een donkere Dance Macabre, beide van Lefébure-Wely.
Ik blijf in het koor zitten, want Ott vertelde dat het hoofdorgel, hoewel maar 40 stemmen, heel hard kan klinken. Hij stopt zelf oordopjes in zijn oren, die het geluid met 35dB verminderen.
Koning Lodewijk XV gaf in 1759 opdracht voor een orgel dat door Cliquot in 1761 werd voltooid. Restauraties volgden in 1829 en 1840. Cavaillé-Coll mocht in 1861 met dit orgel aan de slag en bracht wijzigingen aan en in 1862 speelde Lefébure-Wely het inwijdingsconcert. Na diverse wijzigingen in de jaren die volgden werd het in 1987 teruggebracht naar de situatie van 1862. In 2010 was een grote restauratie nodig en toen het orgel klaar was, werd de noordgevel van de kerk gerestaureerd. Met als gevolg dat het orgel nog maar een paar maand weer in gebruik is.
Het leuke aan het programma van Ott is dat hij muziek heeft gekozen van organisten die met Versailles en dit orgel te maken hebben. Als titularis begint hij met zichzelf, een eigen improvisatie. Dan Boëlly (geboren in Versailles in 1758), Marrigues (geboren in Versailles, in deze kerk gedoopt en organist van deze kerk tijdens de Franse Revolutie), nogmaals Lefébure-Wely (inspeler van het orgel), Widor (omdat zijn muziek speciaal geschreven is voor dit soort orgels) en Fleury (titularis van deze kerk 1978-1986). Om te laten horen dat bij dit orgel ook andere muziek past natuurlijk een prelude van Bach en twee transcipties van Rachmaninov. Diens beroemde Vocalise klinkt hier prachtig.
Tijdens de toegift (de vijfde van Beethoven) wordt het tijd om op zoek te gaan naar een broodje en iets van de stad te bekijken,
Versailles had rond 1500 zo’n 500 inwoners en was een welwarend landbouwdorp aan de voet van een kasteelheuvel, aan de route waarlangs slachtvee vanuit Normandië naar de slachthuizen van Parijs werd gedreven. En we zouden er nooit meer iets van gehoord hebben, ware het niet vanwege de grote Zonnekoning. Trots zit een immense bronzen Lodewijk XIV op een al even immens bronzen paard midden voor het paleis (of kasteel) waar hij en Versailles beroemd om zijn.
In 1624 werd voor Koning Lodewijk XIII een jachtslot bij Versailles gebouwd. Zoon Lodewijk XIV breidde dit uit tot een reusachtig bouwwerk op een domein van maar liefst 800 hectare. Dat de koning hier hof hield, had zijn weerslag op de omgeving, het dorp dus. Daarom ging Lodewijk XIV met zijn architecten aan de slag en ze tekenden een nieuw stratenplan, waarbij het kasteel het startpunt was van drie avenues. Rondom de linkse en rechtse avenues kwamen grote huizenblokken. Veel hovelingen woonden trouwens in het paleis, maar velen ook in het dorpje, nu stad, zelf.
Terzijde: Wij noemen Versailles een paleis, maar de Fransen noemen het een kasteel. Als zo’n kasteel in de stad staat, noemen de Fransen dat een palais; staat het op het platteland, dan is het een chateau!
Kijk, als wij voor zo’n paleis staan, dan denken we al heel gauw dat je dat niet in je eentje of met een gezin kunt bewonen, maar eigenlijk was het een stad op zich. Er waren 226 woningen in het paleis en bijna 450 appartementen. Dagelijks verbleven tussen 3.000 en 10.000 hovelingen op het paleis, deels uit nieuwsgierigheid of om hun relatie met het hof te bestendigen, maar de meesten moesten op deze manier hun brood verdienen.
Het was de tijd van het absolutisme. ‘l’Etat, c’est moi!’ zei Lodewijk XIV en zijn woord was wet. Het hofprotocol was enorm streng, voor alles waren regels, ook voor waar je woonde in het paleis. Als je helemaal bovenin het paleis in een klein kamertje woonde, had je het niet best. Je kon nooit op tijd zijn voor bijzondere gelegenheden, maar vertrekken was de doodsteek van je carrière. Je leefde daar zonder sanitaire voorzieningen en moest maar zien hoe je rondkwam. Er zijn berichten dat het er enorm stonk omdat mensen overal hun behoefte deden en dat de ratten en muizen door de gangen en kamers liepen. Brrrr.
Vandaag niet meer, al lopen nog steeds duizenden en duizenden mensen per dag door de gouden poorten.
Sinds 1792 is het een museum, nadat Lodewijk XVI en zijn vrouw Marie-Antoinette werden afgezet en vervolgens onthoofd tijdens de Franse Revolutie. Het paleis werd een nationaal museum, inclusief de gebouwen die verderop op het domein staan.
Wij worden bij de ingang opgewacht door onze gastheer, François Espinasse. Via metaaldetectoren mogen we naar binnen en daar staan we dan, ons te vergapen aan de pracht van de Chapelle Royale. Want dat is onze bestemming van deze middag.
Het duurt even voor we binnen zijn en andere bezoekers moeten worden tegen gehouden (privéconcert!) maar dan staan we in de Koninklijke Kapel! Het is de vijfde kapel die het paleis heeft gekend, gebouwd onder Lodewijk XIV, en gewijd aan Lodewijk de Heilige. De buitenzijde is al mooi, met de met goud beklede nok die de strenge symmetrie van het paleis doorbreekt, maar binnen sta je even met open mond en het hoofd in de nek de plafondschildering te bewonderen. En hoog boven de goudglinsterende achterwand staat het orgel in wit, groen en goud. En daar komen we voor.
Lodewijk XIV heeft opdracht gegeven voor de bouw van dit orgel (1709-1710). Lodewijk stief in 1715, dus hij heeft dit orgel nog kunnen beluisteren. In de eeuwen die volgden werd het orgel door diverse orgelbouwers (o.a. Cavaillé-Coll) aangepast, maar in in 1995 werd het orgel opnieuw in gebruik genomen, teruggerestaureerd naar de situatie van 1710.
Het programma past dan ook precies bij dit orgel. Espinasse heeft gekozen voor Louis en François Couperin (oom Louis was gambist aan het hof, neef François hier in de kapel organist), Daquin (in 1739 hier benoemd tot organist) en Robin (één van de vier huidige titularissen waarvan er per kwartaal één dienst heeft). Mozart komt ook voorbij, want hij heeft het orgel tweemaal mogen bespelen, als kind en als jongvolwassene.
Het concert wordt besloten met muziek van De Grigny, volgens de organist de beste barokcomponist van Frankrijk, mij totaal onbekend.
We mogen boven bij het orgel kijken en die kans laat ik me niet ontgaan. Natuurlijk wil ik het orgel bekijken, maar het gaat me ook om het zicht op het plafond en de ruimte.
Vervolgens wil ik naar buiten, maar dat valt niet mee in zo’n groot paleis. Trappen af, gangen door, trappen op en ja, ik sta buiten. Dan het hele voorplein afhobbelen (wat is het ongelijk bestraat met keien, foei!) en dan loop ik naar een terrasje. Even koffie met wat lekkers, mensen kijken en gewoon genieten, en dan is het al weer tijd om naar huis te gaan.








