Kijken ze nu enigszins misprijzend? Deftig uitgedost zitten en staan de familieleden voor de schilder. Vader, met grote pruik, en moeder in het midden. Aan weerszijden van hen de acht kinderen. Boven in de wolken zweeft als een engeltje het negende al overleden kindje.
Ze kijken vanaf het grote scherm als het ware op ons neer, wij, die 200 jaar nadat de laatste bewoner van hun stadshuis in Tiel stierf, een beerput van en daarmee een beetje over hen opendoen.

Van Lidt de Jeude
We kijken naar een afbeelding van een 18e eeuws schilderij van Cornelis Philip van Lidt de Jeude en zijn vrouw Margaretha Christina van Wijnen en hun kinderen.
Er is verrassend weinig te vinden op internet over deze familie. In 1919 en 1973 is het hele geslacht opgenomen in het Nederlands Patriciaat, terwijl tussen 1911 en 1927 verschillende leden in de adelstand werden verheven.
Tiel heeft in de 17e en 18e eeuw verschillende burgemeesters gehad die uit deze familie stamden en kent dan ook een straat met hun naam in de Burgemeesterswijk.

In het zaaltje boven in het Flipje en Streekmuseum hebben zich niet alleen belangstellenden verzameld, maar ook opvallend veel familieleden. En dat allemaal voor een beerput.

Beerput
De eerste spreker krijgt het woord en hij laat in vogelvlucht de ontwikkeling van de WC zien.

Natuurlijk komt dit plaatje voorbij, van een schilderij van de grote Bruegel, maar dit geeft toch wel een klein beetje aan hoe het in vroeger tijden ging. Als je in een oud kasteel rondloopt, kom je het wel tegen: het gemak of het secreet. De poep- of kakdoos in of aan de buitenmuur gemetseld en je behoefte viel gelijk in de gracht.

Weet je gelijk ook waarom het grachtwater niet als drinkwater gebruikt werd, maar bier werd gebrouwen met het zuiverder grondwater dat ook nog eens gekookt werd tijdens het brouwproces. Men wist wel niet waardoor men ziek werd, maar wel dát men ziek werd.

Bij gegoede families. zoals de Van Lidt de Jeudes, werden gemakken in het huis gebouwd. Voor mindervermogenden was er een huisje of hokje buiten, met een publiek of gezamenlijk toilet. Dat kon uitmonden in een sloot of vaart of er werd een beerput gegraven.

Maar wat ook gebeurde, was dat de po geleegd werd op de straat, vooral in de steden gebeurde dat. Als wandelaar moest je enorm uitkijken dat je niet drijfnat en besmeurd thuis kwam. Speciaal voor de gegoede burgers werden tripschoenen gemaakt. Hieronder zie je een mooi voorbeeld uit ca 1400 uit Gorinchem.
Je trok je mooie schoenen aan, ging op het hout staan en bond de riempjes dicht en voorzichtig kon je op pad.

Het zou nog tot de 20e eeuw duren voor toiletten in ieder huis inpandig werden geplaatst boven een beerput of een beerton. Tot aansluiting op het riool, werden de beertonnen wekelijks opgehaald met de Boldootkar, zoals de beerwagen of strontkar ironisch werd genoemd. (Boldoot was een merk eau de Cologne.)
In Nederland is nog steeds niet ieder huishouden op het riool aangesloten. In zo’n geval wordt een septic tank gebruikt. Mits goed gebruikt, hoeft deze niet geleegd te worden, omdat alle vaste materie wordt verteerd.

1995
Er is in de jaren 1990 onderzoek gedaan naar Middeleeuwse nederzettingen in het Rivierengebied, ook in Tiel. En zo werd in maart 1995, nu 30 jaar geleden, in de achtertuin van Koornmarkt 16 in Tiel een proefsleuf gegraven. Dit is een methode om steekproefsgewijs inzicht te krijgen in een mogelijk interessant archeologisch gebied. Bij het graven werd het gewelf van een beerput ontdekt. En waar niet-archeologen denken: ‘Eeeeew!’ denken archeologen: ‘Joepie’. Zeker als het gaat om een gesloten beerput die nooit geleegd of ontgraven is. En dat was hier het geval.
En dus kwam er een serieuze opgraving op gang.

Graven
In 8 stappen diepte men vier meter uit en daar vond men de 10e eeuw.
Tevens werd de hele beerput opgegraven, een stenen bak met tongewelf en twee stortkokers, één vanuit het gemak, één vanuit de keuken.
Zo’n beerput was nl. tegelijk ook vuilstort. De reden dat er dus letterlijk van alles in de put is gevonden.

Week_10,6 maart tm 10 maart
BURC BPUC

Beerkelder (BP1) leeg gehaald.De totale hoeveelheid beer is over de 0.5 mm zeef gehaald en in zakken gestopt. Een monster van 1 liter is over de zeefinstallatie met de 3 fijnere zeven (1 mm, 0.5mm, 0.25mm) gegaan (1-2-9). Deze kelder heeft een datering van 1720-1780.De inhoud is aan alle kanten zeer rijk te noemen veel glas en keramiek, veel bioresten en honderden lakzegels. Deze lakzegels zijn van een dusdanige kwaliteit dat een groot aantal van deze zegels leesbaar en dus traceerbaar zijn. Met het stedelijk archief contact opgenomen om de bewoners van het perceel te achterhalen. Alles wijst er op dat de gebruikers van deze kelder enorm welgesteld waren. Het complex is direct afgevoerd naar Amersfoort.

Datering
Aan de hand van het aardewerk werd 30 jaar geleden de beerput gedateerd op 1720-1780. Nu er uitgebreid archiefonderzoek is en wordt gedaan, in combinatie met onderzoek naar het gevonden materiaal, weet men dat Cornelis en Margaretha in 1701 trouwden en hier aan de Koornmarkt gingen wonen. In 1781 overleed hun dochter Hendrika, die ongehuwd bleef en in het ouderlijk is blijven wonen tot aan haar dood.
Daarna kreeg het pand andere bewoners (zelfs een nieuw pand kwam er te staan) waarbij de beerput werd afgesloten.
Het is een soort tijdcapsule geworden.

Vondsten
Wat is er allemaal zoal gevonden in die beerput? Het zit nu allemaal in dozen. 90 dozen in totaal: 79 dozen met non-organisch materiaal waarvan 31 dozen met ‘goodies’: 414 stuks keramiek, I44 stukjes kleipijp, 411 stulks glas, 136 objecten van metaal, knopen en kralen, ca. 400 stukken lakzegel en 11 dozen met organisch materiaal, (hout, zaden, bot, textiel).
De tweede spreker laat een grote zak met bolletjes zien en vrijwel de gehele zaal zegt: ‘Kersenpitten!’ Natuurlijk, we zitten in de Betuwe en ook de familie Van Lidt de Jeude at ze.

Ze laat foto’s zien van allerlei vondsten. En mes en vork, een nootmuskaatrasp, twee muizenvallen, een prachtig gouden hangertje. Er zijn ook delen gevonden van een babyschedeltje, van een doodgeboren kindje na zeven maanden zwangerschap. Uiteraard hebben de familieleden hiervoor de nodige belangstelling.

Er zijn ook veel (delen van) lakzegels gevonden en die zijn in de beer goed bewaard gebleven. Ca. een derde deel draagt het familiewapen van de familie en zijn dus van familie elders.

Een derde spreker krijgt het woord over de visresten die gevonden zijn. Mosselschelpen, stukken krab, visgraten, van alles is er gevonden. Conclusie is dat als de familie vis at, dat meestal zeevis was.

En dat luchtje?
Na twee eeuwen afgesloten te zijn geweest, geurt de beerput niet meer naar …., maar als je gaat graven in klei stinkt dat ook. Dus, ja…



Plaats een reactie