Vanavond zijn we na een korte onderbreking weer bij elkaar in de Latijnse School in Nijmegen, voor weer een avond over mythische wezens.

We beginnen met het associeren op drie types wezens.

Engelen
Licht, vleugels, wolk, onsterfelijk, boodschapper, tussenpersoon, etherisch, positief, estethisch mooi, gevallen engelen, beschermengel, strijder, speciale gaven, cupido, putti, cherubijnen, serafijnen, lieflijk, hemels, wit.

Demonen
Duivel, slechtheid, Lucifer, zwarte kaarsen, heksen, rood, zwart, ziel verkopen, hoorns, hel, bokkenpoten, satan, misleider, zonde, drietand, verleider, verboden, vuur, sulfur, zwavel, straf, legioenen, Armageddon, satanisme, pentagram, omgekeerd kruis, exorcisme/duiveluitdrijving, 666, testen/beproeven, incubus/succubus (mannelijke en vrouwelijke demonen), in de 19e eeuw de romantische duivel.

Aliens
ET, buitenaards, andere wereld, ander universum, niet hemels maar ook niet hels, intelligent, technologisch verder, scifi, UFO’s, angst, War of the Worlds, Roswell, Aerea 51, cristal scull, ontvoeringen, Alfie, ancient alien, 3rd rock from the sun, conspiracy theories, horror, fascinatie, draken (in Japan zijn draken buitenaardse wezens), goden (in het Hindoeïsme zijn goden buitenaards), Osiris (Egyptische godheid die aan de hemel staat als sterrenbeeld).
Het is een relatief modern motief, omdat door het voorschrijden van de wetenschap op aarde veel bekend is. Het onverklaarbare op aarde is nu naar buiten de aarde verplaatst en daarmee zijn aliens een motief geworden.

Extra-sociale ambiguïteit

  • In verschillende culturen wordt op andere manieren naar extra-sociale wezens gekeken. Bijv. de deva’s en asura’s uit het Hindoeïsme worden in de Westerse wereld als goden en demonen gezien, terwijl ze dat helemaal niet zijn. Het zijn wezens met goede en kwade eigenschappen en volgens de verhalen ook nog halfbroers en -zussen.
  • Het zijn personen.
  • En rondom hun andersheid bestaat vaak onbekendheid en twijfel.

Onze docent heeft in zijn onderzoek een model ontwikkeld waarin hij kenmerken of eigenschappen van extra-sociale wezens onderbrengt:

  • Ontologie (past het wel of niet in het wereldbeeld)
  • Gedrag (beschermend of juist helemaal niet)
  • Allliantie (zijn het wezens die over de menselijke orde heersen of die juist ondermijnen)
  • Uiterlijk (is het plezierig of juist helemaal niet?)
  • Omgeving (en daar zit een probleem)

Sirenen
We hebben het idee dat wezens die mooi zijn en dichtbij ons wonen, wel goed moeten zijn. Afstotelijke of lelijke wezens moeten wel ver weg wonen en erg slecht zijn.
En juist daarin is de ambiguïteit van de extra-sociale wezens heel duidelijk voelbaar. Zoals de Sirenen die erg mooi waren en ook nog prachtig zongen en daarmee schepen te pletter lieten slaan, waarna ze de levenskracht uit de bemanning zogen. Jason en zijn Argonauten ontsnapten doordat Jason een lied speelde dat de Sirenen overstemde. Odyseus ontsnapte door zichzelf aan de mast te laten vastbinden, terwijl zijn bemanning de oren met was toestopte. De bemanning kon zo de Sirenen niet horen, maar ook de smeekbeden van Odyseus niet om te worden losgelaten.
Ze waren mooi en verleidelijk, maar zo slecht als het water diep.

Witte wieven
Een sage, waarin de ambiguïteit van extra-sociale wezens naar voren komt.
Volgens een oud volksgeloof verschenen bij het invallen van de duisternis op de Lochemse Berg – maar ook elders in Oost-Nederland – Witte Wieven. Vrouwelijke geestverschijningen, die menselijke bemoeizucht ongenadig afstraften.

Aan de rand van de Lochemse berg woonde Johanna, de struise dochter van een boer met veel land. Johanne had een oogje op Albert, een arme boerenzoon. Haar vader zag dat niet zitten. Die wilde dat zij met Hendrik trouwde, een rijke boerenzoon en een veel betere partij volgens haar vader.

Albert was overstuur door de afwijzing van de vader van Johanna en reed met zijn paard de Lochemse berg op. Daar raakte hij de weg kwijt. Witte gedaanten doemden voor hem op. Ze pakten hem en zijn paard op en draaiden hen om, met de neus naar waar hij vandaan was gekomen.
Tot zijn grote schrik zag Albert dat hij aan de rand van de Witte-Wievenkuil stond, waar hij ingestort zou zijn.
De volgende dag bracht Albert een zelfgebakken koek naar de kuil en liet die daar op een schotel achter.

Johanna had wel een probleem. Hendrik kon haar niet bekoren. Vader kon praten wat hij wilde, Johanna wilde Albert en niet Hendrik.
Ten einde raad stelde haar vader voor dat Hendrik en Albert dan maar een proef moesten afleggen. Als beiden nou in het nachtelijk duister naar de Wittte-Wievenkuil reden en daar een ijzeren haarspit in gooiden. Ze moesten dan de Witte Wieven toeroepen: “Witte wieven wit, hier breng ik oe het spit”. Wie het eerste terugkwam, kreeg Johanna als vrouw.

Zo gezegd, zo gedaan.
Hendrik, die het snelste paard had, reed het bos in, maar werd bang. Hij gooide het spit ergens in de struiken en ging in galop naar huis.
Albert, gedreven door zijn liefde voor Johanna, reed meteen naar de kuil, gooide de spit erin en riep: “Witte wieven wit, hier breng ik oe het spit”.

De Witte Wieven kwamen krijsend te voorschijn. Eén van hen had het spit opgevangen en ze gingen Albert achterna. Hij voelde hun hete adem in zijn nek.
Johanna had een lamp op de deel van de boerderij gezet en zat gespannen op Albert te wachten. Zodra die deel opreed, deed ze de deur dicht, vlak voor een Wit Wief. Ze hoorden klap tegen de deur. Het haarspit zat trillend van de klap in de deur.

Johanna trouwde haar Albert en op de dag na de bruiloft lag op hun stoep een haarspit op een schotel. Beiden waren van goud!


Plaats een reactie