Ik denk dat dit woord de lading wel dekt. Voldaan, met dat gevoel stapte ik net mijn huis weer binnen. Drie heerlijke fietsdagen met zo nu en dan prachtig weer, fraaie vergezichten en landschappen, mooie musea, lekker eten en drinken en ook nog een orgelconcert.
Vanmorgen om iets voor negenen vertrok ik uit Posterenk. Ik had heerlijk geslapen ondanks het feestgedruis incl. vuurwerk vanwege het voetbal. De zon scheen, ik had een knooppuntenroute uitgestippeld en daar ging ik. Op naar Hall.
Ik was een paar keer eerder in Hall geweest en herinnerde me het mooie kerkje aan de rand van het dorp. Om 10 uur was er een dienst in de kerk en die wilde ik bijwonen.
Ik hou van de eenvoud en rust en zelfs geborgenheid die zulke kleine kerkjes uitstralen en ben dan ook verrast als ik binnenstap in de Ludgeruskerk.
Want dat is de officiële naam. Ludgerus (742-809) was een rondreizende monnik die in opdracht van Karel de Grote en de paus vanuit het Saksische gebied Oost-Nederland kerstende. In Hall bouwde hij rond 794 op een offerplaats een kerkje van hout en stro.
In het koor van de kerk tref ik zijn beeltenis aan op een fresco van ca. 1395.
De kerk zelf is ook van die tijd, maar heeft ook nog een Romaanse voorganger gehad waarvan delen in de muren terug te vinden zijn. Het is een mooi kerkje, smal van vorm met hoge spitsboogramen en gotische netgewelven.
En die gewelven trekken ook meteen de aandacht als je binnenkomt. De crèmekleurige banken in een halve cirkel om de preekstoel leiden de aandacht niet af.
De gewelven zijn uitbundig beschilderd met planten, bloemen en vogels. Ik zie de vier evangelisten, Ludgerus, Maria met kind en ook Jezus, als halffiguur opreizend uit een bloemkelk. En heel veel wapenschilden. Niet wat je verwacht in zo’n klein kerkje.
Na de dienst blijf ik nog even voor de koffie met een plak koek en dan vertrek ik weer. Het is nog steeds zonnig en het waait lekker door.
Al snel zit ik op het Jaagpad langs het kanaal Apeldoorn-Dieren.
Met dit kanaal werd in 1858 begonnen als verlenging van het stuk Hattem-Apeldoorn (dat was gegraven op instigatie van Koning Willem I), om het aantrekkelijker te maken. Het was bedoeld als lateraal verbinding van de IJssel die soms tijden lang onbevaarbaar kon zijn (te hoog of te laag water).
Er worden 20 bruggen aangelegd over dit kanaal, maar op de plek waar ik nu sta, bij de Hallsebrug, zou er geen komen. Rijkswaterstaat was voor, Gedeputeerde Staten tegen. Koning Willem III kreeg het probleem voorgelegd en besloot beide partijen te negeren en het geld zelf op tafel te leggen. En dus heeft de brug als bijnaam Koningsbrug en is er een kroontje uitgefreesd in de brugleuning.
Tijd voor lunch. Ik ben in de buurt van Laag-Soeren en zie een bordje naar Priessnietz-hoeve. In de verte zie ik een wit/grijs torentje staan. Ik denk: zal wel voor een of andere obscure generaal zijn of zoiets.
Na de lunch pik ik de knooppuntenroute weer op en kom dan langs dat gekke torentje. Wat blijkt: het heeft helemaal niets met oorlog of generaals te maken.
Het is ook geen torentje, maar een kleine obelisk, die rond 1860 is opgericht door Jut van Breukelerwaard, een rijke bankier en inwoner van Laag-Soeren, om de watergeneeskundigen Priessnitz, Viek, Raussen en Oertel te memoreren. Net voor ik de bossen van de Veluwe inrij, zie ik de voormalige badinrichting Bethesda staan. gebouwd door meneer Jut. (Hij heette officieel Pieter Nicolaar Jut jr., maar plakte er zelf van Breukelerwaard aan vast.)
Hij had in Duitsland kennis gemaakt met waterbehandelingen (hydrotherapie) zoals modderbaden en koudwaterbaden. En koud water was hier op de Veluwe wel voor handen. De sprengen (beken met een gegraven bron of sprengkop) bevatten water met een constante temperatuur van 10°C.
Het badhuis is nu een appartementencomplex, het huis van meneer Jut bestaat niet meer, maar het monumentje staat er nog steeds.
De route gaat nu door de Veluwezoom en dat merk ik. Het heuvelt flink en dat is trappen geblazen zo nu en dan. Gaat het dan ietsje naar beneden, zorgt de behoorlijke wind ervoor dat ik niet zo hard kan als ik wel zou willen.
Ik buffel lekker door en dan komt het grappigste van vandaag.
Drie heren (van zogezegd zekere leeftijd) komen mij achterop en blijven naast me hangen. Twee op een elektrische mountainbike, ééntje op een gewone. ‘Zo, u bent het nog niet verleerd’ krijg ik te horen. We praten zo wat en dan ineens zegt één van hen: ‘Hadden we daarnet niet linksaf gemoeten’. Stikkend van het lachen, wens ik ze goede reis en trap lustig verder.
Brandrode runderen lopen en liggen op het fietspad als ik achter de Posbank langsscheer en dan voorbij het Rozendaalse Veld zet de daling in. Heerlijk freewheel ik naar beneden. Her en der goed opletten met net voor kasteel Rosendael een akelig scherpe en heel lange S-bocht.
Er is een festival op het kasteelterrein, maar ik stap toch af. Het kasteel staat op mijn lijstje om te bezoeken en met de museumkaart is dat gratis.
Ik mag op eigen gelegenheid een deel van het kasteel door en dat is niet aan dovemansoren gezegd.
De mooie salons, een eetkamer, slaapkamers, ik mag zelfs even in de bediendengang gluren en de enorme torenzaal in de donjon. Deze donjon is het oudste deel van het kasteel en stamt uit het begin van de 14 eeuw. Het is de grootste donjon van Nederland, met een doorsnede van 16 meter en muren die variëren van 2,60 tot 4 meter dikte.
Ik besluit de tuinen even te laten voor wat ze zijn en om nog eens terug te komen, als ik ook met een rondleiding mee kan. Het park en kasteel zijn bijzonder genoeg. En heel bekend van de Bedriegertjes, de onopvallende fonteinen die op willekeurige momenten beginnen te spuiten.
Over water gesproken, tijdens het bezoek aan het kasteel regende het even. Het werd weer droog en op station Arnhem begon het weer te regenen, toen ik net in de trein zat. En ik was net thuis, toen er weer een buitje viel.
Een voldaan gevoel, dat heb ik bij dit fietsweekend.









