In de erfenis van mijn ouders zat een verzameling steentjes en stenen, door mijn vader vergaard. Er zijn wat steentjes bij waarin fossielen te ontdekken zijn. Een schelpje, een insect, een varenblad. Als kind vond ik dat prachtig en ik heb ze dan ook in huis nu. En vandaag mag ik bij het museum in een bak met stenen er eentje uitzoeken. De eerste de beste heeft een prachtige afdruk van twee schelpen. Die gaat mee naar huis.
Om 6 uur ging vanmorgen de wekker en de treinreis was lang maar heerlijk rustig. Eerst naar Utrecht en dan terug met de Intercity. Naar Heerlen, een reis van in totaal ruim 2,5 uur. Muziekje op en het boek ‘Het geluk van Limburg’ en de reis vliegt voorbij.
Het boek vertelt het kleine en het grote verhaal van Limburg. Er wordt een familie gevolgd en de grote lijnen die de geschiedenis dwars door mensenlevens heentrekt.
Steenkool, het zat in de grond. Dat wist men al eeuwen. In 1135 wordt een gebied geschonken aan abdij Kloosterrade (nu Rolduc) in de buurt van de ‘kalculen’. Als daar inderdaad steenkoolkuilen mee bedoeld worden, is dat de eerste Europese vermelding. In 1645 wordt het recht tot steenkooldelving verpacht aan een Akense familie en in 1742 neemt de abdij het delven zelf ter hand. Onder de Fransen kwam de mijn aan de Staat en kreeg daardoor ook zijn naam. ‘Mines Domaniales’ werd Domaniale Mijn, kortweg de Domaniale.
En zo begint voorzichtig de steenkoolwinning. In de loop van de 19e eeuw als Limburg bij Nederland gaat horen en de stoommachines van de industriegebieden en de treinen kolen vragen of eisen, wordt het lucratief. De particuliere winning door boeren (die de kool als bijverdienste verkochten) werd een halt toegeroepen. Ingenieurs en investeerders kwamen van buiten (Holland, Nederlands Indië, Duitsland, België en Frankrijk) en het Limburgse heuvellandschap rond Heerlen en Kerkrade ging volledig op de schop. Maar dan ook echt volledig.
Wat ook op de schop ging was het sociale leven. In plaats van als echtpaar samen je boerderijtje runnen en je gezin grootbrengen, ging de man in loondienst en de vrouw kreeg het huishouden en de opvoeding als taak.
Nog een verandering: mijnbouw is een vak en daar moet je verstand van hebben. Die kennis was in Nederland niet voorhanden en dus werden mijnarbeiders vanuit Polen, Slovenië en Italië naar Limburg gehaald. Ook dat zorgde voor de nodige onrust en aanpassingen.
In korte tijd werden zo nog eens 11 mijnen (particuliere mijnen en later ook staatsmijnen) uit de grond gestampt. Een 13e uit de jaren 1950 bij Roermond is nooit in gebruik genomen.
Om sociale onrust te voorkomen (lees socialistische en communistische activiteiten) sloegen kerk, staat en mijnbedrijven de handen ineen. Het leven werd heel overzichtelijk: jongens gingen naar de Ondergrondse Vakschool, meisjes naar de huishoudschool. Jongens gingen naar de mijn (onder de grond of boven, want ook daar was werk te doen), meisjes gingen in betrekking tot ze trouwden, namen dan ontslag om hun gezin te redderen. Zwaar werk, ook voor de vrouwen want het wasgoed loog er niet om, en stof was er altijd en overal.
In navolging van de Engelse tuinsteden kwamen er mooie ruim opgezette mijnwerkersdorpen, koloníeën genoemd. Maar was je geen goed katholiek dan werd het lastig. Als meneer pastoor een goed woordje voor je deed, had je een baan, voor het leven. Anders had je niets.
Na de tweede wereldoorlog draaiden de mijnen op volle toeren. Voor de wederopbouw was de mijnbouw cruciaal. Heerlen was na Rotterdam de rijkste stad van het land. Bontjassen waren niet aan te slepen. En toen kwam 1965 de beruchte toespraak van Joop den Uyl. De mijnen zouden sluiten…
De gasbel in Groningen had een energietransitie tot gevolg. En kolen uit Amerika waren goedkoper want gewonnen in dagbouw.
En het hele kaartenhuis stortte in elkaar. Alles zat in dit gebied in elkaar verweven. Zonder de mijnen was er niets meer. De beloofde werkgelegenheid bleef uit. De komst van de Amerikaanse basis bracht heroïne mee. Met rampzalige gevolgen. Heerlen keek in de afgrond.
Daarnaast hadden de mijnwerkers die nog een pensioen hadden gekregen met hun 55e niet genoeg vanwege waardedaling. En dan de beroepsziekten. Rugklachten, maar vooral silicose (eufemistisch stoflong genoemd) zorgden ervoor dat velen die 55 niet haalden. Silicose is verstening van de longblaasjes door inademing van steengruis met een akelige dood als gevolg.
Waren er geen mooie dingen? Jawel, het verenigingsleven bloeide en bloeit hier als nergens in Nederland. De mijnen en de kerk stimuleerden allerlei activiteiten. Harmonie en fanfare, wielrennen en voetbal. Roda JC en Fortuna Sittard gaan terug op mijnwerkersclubs. Nog steeds noemen de supporters elkaar ‘koempel’, kameraad. Zoals de mijnwerkers van weleer.
Het mijnmuseum is gevestigd in het voormalige Warenhuis Kneepkens. Een schitterend gebouw uit 1940, met veel glas. Heerlen was een echte koopstad. In 1938 was Warenhuis Schunck al geopend naast de kerk, een waar glazen kooppaleis. Alles voor de mijnwerkersgezinnen was er te koop.
De straatnamen spreken boekdelen. Sarolea, de ingenieur uit Nederlands Indië. Honigmann, twee Duitse broers die de consessie verkregen voor de Oranje Nassaumijnen. Poels, priester en oprichter van mijnvakbonden en tevens sociaal aalmoezenier.
In het museum krijg ik een persoonlijke introductie en daarna dwaal ik door het prachtige pand. Zwarte verhalen, gouden tijden, grauwe kanten, kleurrijke toekomst. De verhalen uit het boek gaan nu nog meer leven.
Ik loop nog een stadswandeling naar het schachtgebouw van één van de Oranje Nassau mijnen. Na de sluiting van de mijnen is vrijwel alles verdwenen. Het schitterende hoofdkantoor van de staatsmijnen? Gesloopt. Mooie villa’s vielen ten prooi aan de sloophamer. De steenberg van Landgraaf is nu een skihelling, de rest verdween. Er is nog een mijnschacht in Kerkrade en dan deze. Dat is het dan zo’n beetje.
Bij de mijnschacht krijg ik een film te zien en daarna mogen we mee door de gebouwen. Onze gids vertelt over werken in de mijnen. Hij laat de lift zien, de gereedschappen, de helmen, maar ook de grote machine die de lift aandreef. De enorme staalkabel heeft een kern van henneptouw voor flexibiliteit.
Na afloop mogen we een steen meenemen. En dan ga ik nog even rondwandelen. Het miezert, maar ach. Van het ooit kleine dorpje Heerlen rest in elk geval nog de Romaanse Sint Pancratiuskerk. En ik sta voor een Romeinse spitsgracht, 300 nC. Naast het Thermenmuseum. Dat hou ik tegoed.
En die kleurrijke toekomst? Kijk om je heen. Overal vindt Heerlen zichzelf opnieuw uit. Hoogtepunt, letterlijk en figuurlijk, is het Maankwartier. Een imposante combinatie van treinstation, kantoren, winkels en woningen, waarin het verleden is opgenomen. Romeins aandoende poorten, stalen spanten, middeleeuws aandoende woningen compleet met steunberen en houten deuren, zelfs de mijnschade is er in verwerkt.












