Als ik het station uitloop zie ik ‘m al zitten. Goudkleurig, de staart om de pilaar geklemd, de vleugels gespreid, de bek vervaarlijk geopend, in z’n klauwen een wapenschild. Onder aan de pilaar wordt de sokkel bewaakt door vier kleinere soortgenoten: draken. Passend, want ik ga een wandeling lopen die Moerasdraak heet.

Op deze Nieuwjaarsdag heb ik de trein naar ‘s-Hertogenbosch gepakt om daar een wandeling te gaan maken. Het weer zag er redelijk uit, de meeste buien leken voorbij te zijn en de zon kwam er zo nu dan door met felle opklaringen. Den Bosch of ‘s-Hertogenbosch had in de tijd van De Opstand (de 80-jarige oorlog) de bijnaam Moerasdraak.

De stad zelf ligt nl. op een zandrug en daardoor iets hoger dan het omliggende gebied. De Dommel en de Aa stromen naar het laaggelegen gebied om de stad en daardoor was het gebied moerassig. Een groot deel van het jaar stond dit gebied zelfs onder water.
De stad was tot aan het Twaalfjarig Bestand omringd door de oude middeleeuwse stadsmuren, maar tijdens de wapenstilstand werd de verdediging gemoderniseerd: nieuwe wallen, zes bolwerken en twee bastions werden aangelegd. Voor de Hinthamse Poort kwam een hoornwerk en ook op sommige plekken aarden ravelijnen.
Niet alles was vernieuwd en daarom werden er grote forten aangelegd om de zwakkere delen te beschermen: de forten De Pettelaar en Isabella (naar de dochter van Philips II).
Onneembaar werd de stad geacht en Maurits van Oranje probeerde in 1601 en 1603 tevergeefs de stad in te nemen. Zijn jongere broer Frederik-Hendrik (de Stedendwinger) lukte het in 1629 wel. HIj had nl. Leeghwater in de arm genomen, je weet wel, die van de befaamde droogleggingen in Noord-Holland.
De Aa en de Dommel werden afgedamd en omgeleid en er werd een gracht om de stad gegraven en de stad kon worden ingenomen.

Langs de Dommel loop ik naar de Citadel, het voormalig fort Willem Maria. Met de bouw van dit fort werd in 1629 begonnen, dus direct na de inname en het kreeg de namen van de zoon en schoondochter van Frederik-Hendrik, de latere Willem II en Mary Henriëtte Stuart.
Schuin aan de overkant staat een gigantisch kruithuis, begin 17e eeuw gebouwd om de voorraad kruit op één plek te verzamelen in plaats van her en der in de stad. Het gebouw is zeshoekig, de ingang is van de binnenstad af, de muren zijn één meter dik (destijds zonder ramen), er is een binnenplaats waar de muren minder dik zijn en een heel zwakke dakconstructie. Veiligheid voor alles, zodat een ontploffing zo min mogelijk schade kon berokkenen.

Ik loop nu langs de Aa, telkens nog langs de stadsmuur met om de zoveel meter een rondeel, een halfronde verdedigingstoren die uit de muur steekt.
Uiteindelijk beland ik aan de zuidwestkant van de binnenstad en heb daar een adembenemend uitzicht over het Bossche Broek, een natuurgebied van 200 hectare dat aan de stad grenst. Dit was in 1629 een moerassig gebied en ook vandaag, zeker na de regen van de laatste tijd, is het nat, heel nat. Langs de bastions Sint-Anthonie, Baselaar en Oranje kom ik bij bastion Vught. Hier ga ik met een trapje naar een brugje over de Dommel. Het water kolkt naast me en ik ben blij dat ik weer op de wal ben.

Dan gaat het naar Vught, langs het Drongelens kanaal (aangelegd om de waterhuishouding van dit gebied te reguleren) en met een smal brugje steek ik het kanaal over naar fort Isabella. Nu is het deels een woonwijk, maar nog tot 1993 was hier een kazerne gevestigd.

Ik loop een stukje door Vught en in een tunneltje bij de A2 staat er zoveel water dat ik met enig kunst- en vliegwerk droge voeten hou.
Ik steek de Dommel over en wauw… Ademloos sta ik te kijken. De avond is aan het vallen en voor me ligt het natte Bossche Broek met glinsterde waterpartijen en het kapelletje Woeste Stilte. Ik kijk zo op de Sint Jan, de kathedraal van Den Bosch.

Vanaf nu loop ik op de kathedraal af en dat is een heel bijzondere ervaring. Het was ook maar op het nippertje dat dit gebied werd gered van de stedenbouw. Al in de jaren 1940 waren er plannen om dit gebied vol te bouwen, maar in 1954 besloot de gemeente toch om dat niet te doen, onder druk van allerlei natuurbeschermers.

Ik loop via de Parade nog even naar de Sint Jan, even een momentje stilte en dan ga ik de drakenpilaar weer opzoeken.
De draak op de pilaar heeft een wapenschild in zijn klauw, en dat is niet het stadswapen, zoals ik verwachtte, maar dat van een Commissaris van de Koning(in) voor Noord-Brabant, jonkheer Bosch van Drakenstein. Toen hij in 1894 overleed, bleek hij een legaat aan de stad te hebben vermaakt waarmee de stad bij het station een monument moest oprichten voor zijn in 1881 overleden tweelingdochters.
in 1903 werd de drakenfontein onthuld, niet bij het station, maar er ook niet weer zo heel ver vandaan. Als fontein heeft het nooit dienst gedaan.
De vraag blijft dus: heet de fontein naar de jonkheer of naar de stad, of toch naar allebei?

Tijd om de trein naar huis te pakken, een mooie start van dit nieuwe jaar!


Plaats een reactie