‘Als één man sterft van de honger, is dat een tragedie. Als miljoenen sterven, dat zijn maar statistieken.’

Deze aan Stalin toegeschreven uitspraak bleef de hele middag door mijn hoofd spelen.

In Westerbork had ik een feestelijke Psalmpasen-dienst mogen meemaken in de Voorhof. De zon scheen, het was heerlijk weer, de bus reed op tijd, vanuit de B&B had ik een lunchpakketje mee mogen nemen en zo stap ik om 12 uur in Hooghalen uit. Voor het laatste deel van het Westerborkpad.


In 1943 gaan twee broers met hun gezinnen vanuit Den Haag op vakantie naar Hooghalen. De fietsen worden per trein vooruitgezonden en de families volgen later. Ik sta stil op de spoorwegovergang (de treinen rijden toch niet, dit weekend) en kijk naar de plek waar de boerderij stond, vlak aan het spoor. Op TopoTijdreis vind ik zelfs het heuveltje nog terug waar ze gingen picknicken.
Wat ze niet deden? Richting het kamp gaan. De kinderen Mimi en Jan, dan 12 en zeven jaar, waagden zich daar niet. Ze wisten wel dat er treinen naar toe reden. Vlak voor de boerderij, waar ze in de schuur in het hooi sliepen, liep de aftakking naar het kamp.
Wat daar gebeurde wisten ze niet, maar pluis was het niet.


Via een vakantiepark kom ik op het tracé van de voormalige spoorlijn. In juli 1942 kreeg de NS de opdracht van de Duitse bezetter om (tegen betaling) een spoorlijn aan te leggen en een aansluiting op het landelijke spoorwegennet te maken voor kamp Westerbork. Joodse gevangenen voerden de werkzaamheden zelf uit met van de NS gehuurd materiaal. De lijn was enkelsporig maar in het kamp was wel een extra spoor om te locomotief te laten ‘omrijden’. Er was maar één aansluiting op het spoor tussen Beilen en Assen. Assen was het eind- en beginstation, kamp Westerbork was een tussenstop. Voor de duidelijkheid: de treinen naar de vernietigingskampen gingen via Nieuweschans in Groningen Duitsland in. En treinen vanuit het zuiden maakten dus kop in Assen alvorens naar Westerbork te reizen.

Het tracé is ook een monument. Op gezette afstanden staan er 97 spoorbielzen, rechtop staand met een alumumium bordje. Datum van het transport, bestemming en aantal mensen. Ik fotografeer een groot aantal van deze palen, maar het is van een misselijkmakende monotonie. Omdat ik weet wat die mensen toen niet wisten, hooguit vermoedden.


De aftakking werd in oktober 1942 in gebruik genomen. Henk Eleveld uit Hooghalen is in de oorlog een jonge boerenzoon en hij werkt graag met paard en wagen. Hij en anderen uit het dorp werden gesommeerd naar station Hooghalen te komen en de platte boerenwagen werd volgeladen met de aangekomen Joden.
In een langzaam tempo (wandeltempo) sjokten de paarden met hun vracht naar het kamp. Meerdere malen reed hij deze route. Hij wist wel dat er iets niet klopte, maar in oktober hoefde het niet meer. Er klinkt iets van berusting in zijn stem.


Ik loop langs de monotone spoorbielzen naar het voormalige kamp.
Dat het kamp hier ligt, is niet vanzelfsprekend. Toen de vluchtelingenstroom uit Dutisland aanhield werd besloten tot een kamp op de Veluwe bij Elspeet. Alle bezwaren van omwonenden ten spijt, zou het kamp er gekomen zijn  ware het niet dat Koningin Wilhelmina ook bezwaar aantekende. Het kamp zou te dicht bij haar zomerverblijf Paleis het Loo komen.
Meteen werd een andere oplossing gezocht en gevonden: de heide in Drenthe. Ver van de bewoonde wereld in een rustig gebied.

Het zou kamp Zwiggelte gaan heten, maar uiteindelijk kreeg het de naam van de gemeente Westerbork waarin het kamp lag: Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork. Het stond dus als het ware klaar voor de Duitsers om het in gebruik te nemen als Judendurchgangslager Westerbork, compleet met Joodse bevolking.


Vlak voor het kamp staan vier grote ‘Tekens’, op verzoek van Jules Schelvis geplaatst. Schelvis overleefde Sobibor en was mede-aanklager in Duitsland bij de berechting van Nazi’s. De tekens, die lijken op sarcofagen, zijn cenotafen. Een cenotaaf is een grafteken voor iemand wiens stoffelijk overschot elders is of onvindbaar is. Cenotaaf komt uit het Grieks: kenos = leeg, taphos = graf. Ieder teken is voorzien van een getal, dat van hen die zijn weggevoerd. Aan de voorzijde hoeveel er terugkwamen van de onheilsplaatsen. Weinig, erg weinig. 102.000 zijn weggevoerd, 5000 kwamen terug.


Ik loop langs de Kommandantur, de houten commandantswoning onder een beschermende glazen behuizing. Ongeveer het enige wat van het kamp is overgebleven, wat heel wrang is.
Wat ook nog origineel is? Het stootblok aan het eind van de spoorrails. Hiervoor loop het hele terrein over. In de verte krullen de spoorstaven in wanhoop naar de hemel, beschadigd als door geweerschoten. 97 bielzen liggen hier tot aan het ‘nieuwe’ stootblok. Dit nationaal monument werd in 1970 onthuld door Koningin Juliana.
Achter de muur van Drentse keien (de keien lijken wel schedels), staat, uit het zicht, het originele stootblok.


Ik keer om en loop over het terrein terug. Ik pak een iets andere route dan heen. Ik loop over het Melkwegpad en herinner me dat we in de jaren ’80 hier met jeugd uit de kerk wel eens gingen wandelen op zondagavond. Wat wisten we van Westerbork? Weinig. Niets eigenlijk.

Nog tot in 1971 werd het kamp gewoon gesloopt na het vertrek van de Molukkers.


Het kamp werd na de oorlog een interneringskamp voor NSB-ers. Ed van Thijn was in 1944 opnieuw in Westerbork beland, maar er reden geen treinen meer. Na de bevrijding mocht hij, 10 jaar oud, ook NSB-ers bewaken.


Bij het Herinneringscentrum ga ik toch even het museum in. Ik word getroffen door een zilveren kettinkje. Dit was gevonden in de oorlog bij station Hooghalen, vertrapt in de grond. De vinder heeft het bewaard en zijn dochter ook, altijd nog wachtend tot iemand het zou komen halen. Nu ligt het hier.


En die uitspraak die van Stalin zou zijn? Er zijn nog twee varianten bekend, maar niemand weet of Stalin het ooit echt heeft gezegd. Waar het vandaan komt is wel bekend.

Op 6 maart 1924 werd in de Franse satirische krant Comic-France een stuk gepubliceerd waarin de eerste versie van deze uitspraak werd toegeschreven aan een diplomaat van het Franse Ministerie van Buitenlandse Zaken die schertsend zegt:

La guerre ? Ce n’est pas si terrible ! La mort d’un homme est, en effet, chose épouvantable : mais cent mille morts, c’est une statistique.

‘Oorlog? Zo verschrikkelijk is het niet! De dood van één man is inderdaad vreselijk, maar honderdduizend doden, dat is een statistiek.’

Hooghalen
De spoorbielzen met bordjes
Kamp Westerbork
Kamp Westerbork
Herinneringscentrum, inzet het speldje ter herinnering aan deze wandeltocht.

Plaats een reactie