We lopen even met hem mee, met Otto Willemsz, een dief in de Middeleeuwen die zijn gestolen waar kwijt wil. Maar hij beschikt niet over een eigen huis, een plek waar hij zijn buit kan bewaren, en ook niet over een paard of zelfs maar een ezel waarmee hij zijn buit kan vervoeren naar een heler.
En dus gaat Otto op stap met telkens een voorwerp dat hij makkelijk op zijn persoon kan meenemen. En daar gaat hij, half Nederland door, met in onze ogen kleine, waardeloze spullen.
* met een tafellaken van Amerongen naar Utrecht
* een tinnen schotel van Wijk bij Duurstede naar Amersfoort
* een handdoek van Wageningen naar Arnhem
* een zwarte mannenhuik van Zutphen naar Deventer (een huik is een soort mantel)
* twee zilveren lepels van Harderwijk naar Elburg
* een tinnen kan van Doesburg naar Zutphen
* twee schotels van Hattem naar Zwolle.
Vanavond ben ik in de eeuwenoude Pieterskerk voor een lezing door Janna Coomans, schrijver van het boek Dievenland over de rafelranden van de middeleeuwse samenleving. In de archieven is een schat aan informatie te vinden en Janna heeft de invalshoek genomen van sententieboeken, strafregisters, als de basis voor haar boek.
Leefomstandigheden
In onze moderne samenleving kennen we een grote mate van bestaanszekerheid. De meesten hebben een dak boven hun hoofd, er is gezondheidszorg, er zijn vangnetten die meestal wel werken. De middeleeuwer kende dit allemaal niet. Er was wel hulp: kloosters en gasthuizen boden onderdak en zorg, maar er vielen mensen tussen wal en schip. Oorlog, ziekte, dood van naasten, geen werk: er hoefde maar iets te gebeuren en het leven was niet meer zoals het was.
Een voorbeeld: Alet Jans van Beloosdochter, Ze is geboren in Jutphaas en 30 jaar oud als ze in Utrecht -ergens in de 16e eeuw- wordt opgebracht als buidelsnijder. Terzijde: In de middeleeuwen waren er geen zakkenrollers (kleding had geen zakken) maar iedereen droeg zijn geld in een buidel en die kon je lossnijden.
Ze vertelt in het verhoor dat haar man vijf weken daarvoor aan de pest is overleden en dat ze haar kinderen van vijf en nul jaar bij haar buren in Kampen heeft ondergebracht. Ze komt nu van Amsterdam en bekent in Utrecht op die Vismerkt alhier twee buydelen offgesneden te hebben. Ze vertelt ook dat ze wol kan kammen mer dat zij geen werk crijgen en conste en uit armoede heeft gehandeld.
Een tragisch verhaal, maar de stadsbestuurders zijn onverbiddelijk en verbannen haar voor zes jaar uit de stad.
Was het waar, haar verhaal? We weten het niet, maar het was niet onwaarschijnlijk, want men geloofde haar wel.
Wat stal men dan zoal?
We keren weer even terug naar Otto. Van hem is een heel register aangelegd van zijn diefstallen: 17 keer geld, 15 mantels, vijf doeken en een tafellaken, een fles, vier tinnen schotels, twee kannen, drie lepels, een kandelaar, een tas, een bidsnoer en drie zeemvellen. Hij verdiende nl. zo nu dan de kost als zemenmaker.
Er waar?
De diefstallen vonden overal plaats: soms in kloosters, kerken en gasthuizen, vaker bij particulieren en het vaakst bij boeren. Boeren waren meestal gastvrij en lieten een voorbijganger al snel in het hooi slapen, maar moesten dat wel bekopen met verlies van hun bezittingen.
Persoonlijk
Het stelen van zulke persoonlijke zaken werd hard bestraft. Het was nl. niet alleen het -kostbare- bezit van de bestolene, maar het was ook gemaakt binnen de gemeenschap: door een kleermaker, een schoenmaker, een smid, een wever of een glasblazer. De gemeenschap als geheel werd geraakt door de diefstal.
Straffen
De straffen doen in onze ogen en oren dan ook draconisch aan. In één van de keurboeken staat het duidelijk: de dief de galg, ofwel diefstal werd met de dood bestraft.
Nu werd deze middeleeuwse soep ook weer niet zo heet gegeten, maar toch liegen de straffen er niet om.
Verbanning is een straf die al heel snel wordt opgelegd, logisch eigenlijk. Men wil de eigen gemeenschap, die beschadigd en benadeeld is, vrijwaren van een ongewenst element. Dat kon voor 100, 50, 25, 10, vijf of twee jaar zijn, maar vaak werd het 10, maar heel soms ook voor eeuwig.
Een paar voorbeelden.
In 1387 wordt Aelkijn van Asperen voor 100 jaar verbannen voor diefte. In 1439 wordt Hannekyn Hagen gegeseld en geschupt met de schupstoel en voor 20 jaar verbannen. In 1463 wordt Geryt Wychaerts, gheheten in der wanderinge Bestediefghen, voor eeuwig verbannen. En als laatste Peter Claesz. Hij wordt onthoofd omdat hij na een verbanning terugkeerde.
Toch zijn dit uitschieters. Onderzoekers vermoeden dat slechts 2% van de opgebrachte dieven een lijfstraf of doodstraf onderging. Alle overige diefstallen werden met boetes afgedaan.
De schupstoel
De schupstoel of schopstoel is een middeleeuws strafrechtelijk werktuig dat in de vijftiende eeuw werd gebruikt. Het leeft tot op de dag van vandaag voort in de uitdrukking ‘op de schopstoel zitten’. Tegenwoordig bedoelen we hiermee dat iemand zich in een netelige situatie bevindt. En inderdaad, het was een netelige situatie, maar ook nog meer. De schopstoel was een soort wip waarop de veroordeelde moest plaatsnemen. Zijn handen werden op zijn rug gebonden. Daarna werd hij met een harde trap de lucht in geschopt, om met een klap in het water of de modder terecht te komen.
Helers
Gestolen zaken wisselen van eigenaar bij een heler en ook voor hen waren de straffen niet mals.
In 1557 wordt Stijntgen uit de Zadelstraat (Utrecht) een maand gevangen gezet. Zij was getrouwd met een man met de bijnaam ‘Luysbos’. Zij en haar man geven toe drie dieven in hun huis te hebben ontvangen. Zij hebben bij hen gelogeerd en de gestolen spullen zijn door Stijntgen en Luysbos opgeslagen en/of verkocht. Vrienden en familie getuigen van haar goede faem en vertellen ook nog dat Luysbos Stijntgen slaat. Het mag niet baten. Stijntgen wordt voor eeuwig verbannen.
Ook Alijt van Sperenwoude die uitgebreid heeft geprofiteerd van gestolen goed wordt in 1448 voor eeuwig verbannen.
Was er dan geen zorg voor arme of vreemdeling?
Ja zeker, die was wel degelijk. Er waren particuliere instellingen zoals gasthuizen en soms ook kloosters, er waren brooduitdelingen van de Heilige Geestmeesters, broederschappen ondersteunden hun leden bij ongerief en dat deden de gildes ook. En daarmee zitten we ook bij het probleem: de zorg was voor de ‘eigen armen en behoeftigen’. Was je geen lid van een gilde of broederschap, of geen poorter van de stad? Dan kon je her en der wel een nacht of twee verblijven, maar je kon geen aanspraak maken op hulp.
Bedelen
Sommige mensen gingen uit bedelen, maar dit liep ook de spuigaten uit, vandaar dat ook hiervoor keuren werden uitgevaardigd. Je mocht niet bedelen in de kerk (bedoeld wordt het toegangsportaal), behalve als het regent. Het toezicht op de bedelaars werd vanaf 1445 onder toezicht van de scherprechter of beul gesteld. Er werd ook een vergunningenstelsel opgetuigd, met een bedelteken dat in de bedelnap moest liggen.
Het beleid werd steeds strenger, waardoor je soms maar een paar dagen mocht bedelen voordat je de stad werd uitgejaagd.
In de archieven is een bedelverbod uit 1447 terug te vinden voor Lijsbette mit den mammen, Aerntkyn van Hueckelen ende sijn wijff ende Aerntkyn den danser.
Faem
Te goeder naam en faam bekend staan. Een goede reputatie hebben. Dat is nu belangrijk, maar toen helemaal. Je reputatie was je waarde als gildebroeder, als koopman. Zonder was je niets. Praatjes en geroddel konden je faem schaden, maar je goede faem kon je ook redden als het om straffen ging. Was je goed bekend, dan werd je milder behandeld.
Een dief van buiten de gemeenschap had geen goede faem -niemand kende je immers- maar quade faem, en daarom werd je gestraft en verbannen.
Even een voorbeeld van praatjes en geroddel. In 14778 stond Hendrickgen Jansdochter aan de kaak in Utrecht. Zij had Alit Looff, de vrouw van de kistenmaker, van diefstal beschuldigd en dat niet kunnen bewijzen. Terzijde: als je aan of op de kaak stond, stond je vast aan een paal op het schavot, te kijk voor de hele gemeenschap. Men kon je bespotten en ook straat- en huisvuil en nog andere smerigheid naar je smijten.
Nog wat weetjes:
* In Kampen werd een dief opgepakt met de bijnaam Regelkost. Hij had misdaden begaan in het hele land. Hij stal de rozenkrans en de mantel van een Mariabeeld vlakbij Doesburg en in Den Haag vermoordde hij iemand. Maar hij was ook op Schouwen-Duiveland en de kop van Noord-Holland.
* Iemand stal ooit 27 varkens. Hoe doe je dat?
* Otto Willemsz. -ja, daar is-ie weer- was heel inventief en smeerde het uiteinde van een stok in met lijm. Daarmee probeerde hij geld uit offerblokken te hengelen.
En nog iets: bedenk dat niemand een bankrekening had. Je bezit was hetgeen je droeg, waarmee je at en dronk en waarop je sliep. Mensen hadden veel minder dan wij ons kunnen voorstellen, maar dat bezit was het enige wat ze hadden. Als je dat dan kwijt raakt aan een dief…
Als laatste een voorbeeld van een heel jonge dief, Adriaen Dirkszoon, uit Haarlem.
12 jaar oud en schoenmaker van beroep. Hij verklaart op zaterdag 1 februari 1556 naar Utrecht te zijn gekomen, na meer dan een maand door Waterland en Amsterdam te hebben gezworven. Hij slaapt twee nachten in het Sint Maartensgasthuis in de Weerd en ontmoet daar Dirk uit Amerongen en ene Beernt. Beernt heeft al een inbraak gepleegd in Groenekan en met z’n drieën gaan ze daar hun slag slaan bij een boerderij, waar ze de buit in de hooiberg verstoppen. Beernt ontkomt, Dirk en Adriaen niet. Hoe het met ze afloopt, vertelt het verhaal helaas niet.

1504, Meester van Alkmaar, Rijksmuseum Amsterdam
