Vanaf de voorkant van het boek kijkt een klein meisje me aan. Haar blote voetjes zijn vuil, haar schortjurk is smoezelig en rafelig, haar jakje heeft een kapotte zoom bij de hals. Haar lichte ogen kijken strak, haar mond is een streep en haar vlassige haartjes pieken achter de oren.

Het is niet de overgrootmoeder van de schrijver, maar wel een schrijnend beeld van wat kinderen overkomt als er niet goed (meer) voor ze gezorgd wordt of kan worden.

Ik ben in de prachtige bibliotheek aan de Neude in Utrecht en helemaal bovenin is een theaterzaal die bijna vol zit met belangstellenden voor dit Historisch Café van de vereniging Oud-Utrecht. Schrijver Menno Lanting zal ons vertellen over zijn boek ‘De bestedeling’.

HIj laat een foto zien van hem en zijn moeder. Met zijn moeder deelt hij een liefde voor geschiedenis en uiteraard ook familiegeschiedenis. En zo stuitte hij op zijn overgrootmoeder Geeske Staal. Zij was jong gestorven in 1916 en er was weinig over haar bekend.

Menno ging op zoek en kwam er achter dat ze in 1877 (ze was vijf jaar) wees was geworden, samen met haar vier broertjes en zusjes. Tijdens de tyfusepidemie in Deventer overleden haar ouders en nog meer familieleden en zij bleven achter. En ze kwamen in het weeshuis.

Tot zover niets bijzonders. Menno verwachtte in de boeken te zien dat ze met 18 jaar uit het weeshuis zou zijn vertrokken om een eigen leven op te bouwen, maar hij vond bestedelingsformulieren in haar dossier en die van haar broertjes en zusjes. Het bleek dat ze na drie dagen al naar elders waren vertrokken. Als bestedeling. Menno’s interesse was gewekt. Wat is een bestedeling? En waarom bestond dat fenomeen?

We gaan een paar eeuwen terug in de tijd. Tot ca de 13e/14e eeuw werden wezen, ouden van dagen en invaliden binnen de ‘clan’, de gemeenschap, opgevangen en verzorgd. Familie, dorp, klooster, iemand zorgde voor ze.

De 14e eeuw was voor West-Europa destastreus. Barbara Tuchman heeft daar het boek ‘De waanzinnige veertiende eeuw’ over geschreven. Oorlogen en de zwarte dood zaaiden dood en verderf. Het einde der tijden moest wel nabij zijn.

Dood zorgt voor verweesde kinderen, verarmde ouderen en invaliden maar verwoest ook het weefsel van de sociale omgeving waarin ze hadden kunnen worden opgevangen. Dan komen instituten om de hoek kijken, met hun bureaucratie. Weeshuizen, armhuizen, dolhuizen, gasthuizen, met goede bedoelingen in het leven geroepen.

Maar in economisch slechte tijden hebben deze huizen het ook krap. Een toevloed van bewoners en niet genoeg geld om ze allemaal op te vangen.
Trouwens, alleen burgers hadden de mogelijkheid om in zo’n huis te kunnen worden opgevangen en soms moest je familie wel vier generaties burger (poorter) van de stad zijn.
En dus werd het systeem van ‘bestedeling’ bedacht. In Utrecht werd een bestedeling een ambachtskind genoemd en in de zuidelijke provincies bestond de term hou-kind.
Doel hiervan was een wees een toekomst te bieden. Bij een ambachtsman zou een jongen een ambacht kunnen leren, een meisje zou een huishoudelijke opleiding krijgen en na hun 18e jaar zouden ze dan in hun eigen onderhoud kunnen voorzien.

Voordat een bestedeling werd uitbesteed, moest de familie wel komen opdraven om uit te leggen waarom ze zelf die zorg niet konden dragen. Maar meestal was het antwoord heel eenvoudig: ze waren bijna te arm om voor zichzelf te kunnen zorgen, laat staan voor een mond extra.

Bij het uitbesteden werden de kinderen aan de hoogstbiedende ‘verkocht’. Een ander woord is er echt niet voor. Menno leest een ooggetuigeverslag voor van een veiling in Zeeland in 1780. De rillingen lopen je over het lijf, werkelijk. Op dat moment was het syteem al overgegaan naar de minstbiedende. Dat hield in dat het weeshuis het gastgezin een vergoeding bood voor de opvang van het kind. De minstbiedende (het gezin dat het minste geld vroeg) kreeg het kind. En een jaar later begon het circus opnieuw en werd je bij een ander geplaatst.

Ik durf even niet te denken aan de psychische en psychologische gevolgen die dit voor de kinderen moet hebben gehad.

Sommige kinderen kwamen echt wel goed terecht maar anderen werden als slaaf en goedkope arbeidskracht gebruikt.

Geeske kwam in Epse terecht bij boer Tuitert op boerderij de Marsman (inderdaad de voorouders van schaatser Mark Tuitert). En daar bleef ze tot ze bijna 18 jaar was. Als 13-jarige was ze verliefd geworden op Albert-Jan, de knecht van boer Tuitert. Albert-Jan vertrekt in 1888 maar blijkbaar hielden ze contact en in 1889 schrijft Albert-Jan een vurige brief aan het weeshuis. Hij vraagt of Geesje eerder meerderjarig verklaard mag worden en haar schamele erfenis mag ontvangen.
En zowaar, dat gebeurt. Ze wordt dienstbode in Deventer en na een aantal jaren sparen trouwen Geeske en Albert-Jan in 1892 in Deventer.

Het bestedelingensysteem heeft in verschillende vormen bestaan tot aan de Tweede Wereldoorlog. De laatste veiling vond in 1899 plaats in Zeeland.

Menno heeft op basis van de gevonden archiefstukken berekeningen gemaakt en hij schat dat in al die eeuwen ca een half mijoen kinderen dit lot hebben ondergaan. Weeskinderen maakten ca 70% van de bestedelingen uit, ouderen ca 20% en de overige 10% werden de krankzinnigen genoemd ofwel de mensen met een mentaal zwakke gezondheid of een neurologische aandoening.

Ik koop het boek en loop richting station om er achter te komen dat de treinen tijdelijk niet rijden. Ik duik het café van de bibliotheek in en verdiep me alvast in het boek, onder het genot van een hapje en een drankje. Helaas is er meer schade aan de bovenleiding dan gedacht en dus zit ik om acht uur in een touringcar naar Houten waar ik alsnog de trein naar huis kan pakken. Het was me de avond wel.


Plaats een reactie