Op station Haarlem sta ik in de tunnel even te twijfelen. Ik ben veel te vroeg en heb daarom keus. Ga ik naar links voor Teylers, Frans Hals, de Bavo of een terrasje in het centrum – het weer is er mooi genoeg voor. Of ga ik naar rechts, naar het Dolhuys.
Het wordt rechts, het Dolhuys ofwel het Museum van de Geest.
In de 15e eeuwse leprozenzaal is een kleine tentoonstelling met de titel ‘Who Cares’, in goed Nederlands: ‘Het zal me een zorg zijn’.
En dat is precies wat deze tentoonstelling centraal stelt.
In oorlogstijd is voor jezelf en je familie zorgen al een hele kluif, maar wat als je niet in staat bent om voor jezelf te zorgen? Omdat je mentaal niet sterk of capabel genoeg bent. En wat als de overheid je als onvolwaardig en geldverslindend beschouwt en een euthanasieprogramma voor je opstelt?
In 2015 was ik in Pirna, een stadje 20 kilometer oostelijk van Dresden, vlak aan de Tsjechische grens. Ik sliep in kasteel Sonnenstein, zonder ook maar te beseffen wat dit was. Het uitzicht was prachtig, het bier en de wijn in de Biergarten heerlijk, maar het was een plek met een gruwelijke geschiedenis. Vanaf 1811 was hier een destijds moderne psychiatrische inrichting gevestigd, maar in 1928 kwam er een directeur die de eugenetica aanhing, en later werd hij een fanatieke nazi.
Het gebouw werd vanaf 1940 één van de zgn. Tötungsanstalten in het kader van Aktion T4. Doel van deze euthanasiecentra was het vermoorden van vele duizenden bewoners van o.a. psychiatrische instellingen. In Sonnenstein werden in 1940 en 1941 13.720 mensen met een cognitieve of psychische stoornis vergast en ook minstens 1.031 gevangenen uit concentratiekampen.
Ik kwam achter deze geschiedenis door de kleine gekleurde kruisjes op de stoepen en de wegen. Het is het Gedenkspuhr dat van de Elbe naar de voormalige gaskamer van Sonnenstein voert. 14.751 kruisjes, voor iedere persoon één.
Elfriede, de kunstenares

Één van hen was kunstenares Elfriede Loshe-Wächtler. Zij werd geboren in 1899 in Dresden en op 31 juni 1940 in Pirna omgebracht.
Ze studeerde van 1915 tot 1918 mode en toegepaste grafische kunst aan de ‘Kunstgewerbeschule’ te Dresden en volgde aan de Kunstacademie teken- en schildercursussen. In 1919 sloot ze zich aan bij de avant-gardistische ‘Dresdner Sezession’, met onder anderen Otto Dix en Conrad Felixmüller. In 1921 trouwde ze met operazanger Kurt Lohse en woonde met hem in Görlitz en later Hamburg. Het ongelukkige huwelijk zorgde voor veel spanningen.
Haar kunst was tussen 1926 en 1929 enkele keren te zien op grote exposities van de zgn. Neue Sachlichkeit.
Helaas kreeg ze in 1929 een zenuwinzinking en daarom verbleef ze twee maanden in een psychiatrische inrichting. Na haar genezing en ontslag scheidde ze definitief van Lohse en kwam ze in een nieuwe creatieve fase, en hoewel ze regelmatig bleef exposeren leefde ze in grote armoede.
Vereenzaamd en psychisch labiel keerde ze in 1932 terug naar haar ouders en werd kort daarna opgenomen in een inrichting met de diagnose schizofrenie. Nog drie jaar lang bleef ze bijzonder actief en maakte veel portretten, vooral zelfportretten. Van 1932 tot 1935 bleef ze nog bijzonder actief als kunstschilderes en maakte vooral portretten, vaak ook zelfportretten. Maar in 1935 werd ze ontoerekeningsvatbaar verklaard en haar bewegingsvrijheid vanuit de kliniek werd sterk ingeperkt. Ook liet ze zich (in het kader van het Duitse eugenetica-beleid) steriliseren, maar het lijkt me waarschijnlijker dat dit zonder haar toestemming is gedaan. Haar werk werd tot ‘Entartete Kunst‘ verklaard en mocht niet meer worden tentoongesteld. Dit was de doodklap voor haar creativiteit en ze stopte met schilderen.
In 1940 werd ze naar ‘Landes Heil- und Pflegeanstalt Pirna-Sonnenstein‘ te Pirna gedeporteerd en daar in het kader van het nazi-euthanasieprogramma Aktion T4 gedood.
Terug naar Haarlem. In de tentoonstelling hangt maar één schilderij van Elfriede. Waarom dan toch dit hele verhaal over haar?
Omdat een gezicht de geschiedenis dichterbij brengt dan wat ook.
Mensen die in instellingen verblijven tijdens oorlogshandelingen zijn kwetsbaarder dan wie dan ook en de zorg om en voor hen bleef doorgaan in de Tweede Wereldoorlog, hoe gebrekkig ook.
De bezetting van Europa door de Duitsers voegde echter een extra lading toe: Joodse bewoners en patiënten waren sowieso ten dode opgeschreven, maar ook andere bewoners en patiënten werden als onvolwaardig gezien.
Vijf mensen krijgen letterlijk en figuurlijk een gezicht in deze tentoonstelling. Op kleine tafeltjes staan portretten van drie mannen en twee vrouwen. Over de foto staat een citaat van hen geschreven. Er tegenover een klein stoeltje (nagemaakt van stoelen die indertijd in instellingen werden gebruikt) en daarop kun je plaatsnemen om via de audiotour het bijbehorende verhaal te beluisteren.
Jacob, een man van principe en mededogen
Jacob Juch werd geboren in Veenendaal in 1895. Hij begon zijn werk in 1919 als leraar in een instelling voor mensen met een beperking in Ermelo. Later werd hij leidinggevende van de Sint Bavo instelling in Noordwijkerhout. Hij veranderde de manier waarop er voor de bewoners van deze instelling gezorgd werd. Iedereen kreeg persoonlijke aandacht, niet alleen maar lichamelijke zorg. Hij bedacht manieren om ze in beweging te krijgen. Met muziek en het houten (gym)toestellen activeerde hij de bewoners.
Toen de oorlog uitbrak, werkte Jacob niet mee met de plannen van de Duitsers. Hij wilde niet dat de Joodse kinderen in zijn tehuis gevaar liepen en hij verstopte ook koperen en tinnen voorwerpen in de kelder zodat de vijand ze niet kon vinden. Helaas, in 1942 vonden de Duitse soldaten die voorwerpen achter een keldermuur. Verraad! Jacob en twee mannen van het tehuis werden opgepakt en naar het Oranjehotel ofwel de gevangenis in Scheveningen afgevoerd. Ondanks de ondervragingen liet Jacob niets los. Hij bleef de kinderen, Joods en niet-Joods, beschermen. Hij werd naar kamp Sachsenhausen gestuurd en op 26 maart 1943 stierf Jacob daar.

Claartje, een moedige jonge vrouw

Klara van Aals, Claartje genoemd, wordt op 14 september 1922 geboren in een liberaal Joods gezin in Utrecht. Na het overlijden van haar moeder en de ontheffing van haar vader uit de ouderlijke macht, vindt ze een thuis bij haar dierbare vriendin Aagje Kaagman. Claartje van Aals werkt tot 21 november 1940 bij de Nederlandse Spoorwegen. Op die datum worden alle Joodse medewerkers in overheids- en semioverheidsdienst ontslagen. Claartje vindt werk in de Joods-psychiatrische instelling Het Apeldoornsche Bosch, waar ze ook gaat wonen. Daar ontmoet ze Arno Zwart, met wie ze een relatie krijgt, terwijl ze tegelijkertijd getuige is van de toenemende dreiging van razzia’s en deportaties.
Haar brieven aan Aagje getuigen van de angst en onzekerheid in haar dagelijks leven, terwijl ze zich afvraagt wat haar lot wordt. Op 21 januari 1943 schrijft ze haar laatste, hartverscheurende brief, waarin ze haar vertrek aankondigt zonder te weten waarheen. Ze beschrijft de onwerkelijke chaos en worstelt met de keuze om al dan niet onder te duiken. Toch kiest ze ervoor bij de mensen te blijven naar wie haar hart uitgaat. Claartje’s leven eindigde op 5 februari 1943 in Auschwitz.
Willem, een onwankelbaar verzetsman
Wilhelmus Wilschut, een man van vastberadenheid en medeleven, werd in 1893 in Utrecht geboren. Samen met zijn vrouw Jannie zette hij zich in voor de geestelijke gezondheidszorg. Ze waren allebei gepassioneerde socialisten, lid van de Sociaal-Democratische Arbeidspartij (SDAP) en actief in de vakbondswereld. Tijdens de bezettingsjaren ontpopte Willem zich tot een stille held; zijn huis werd een schuilplaats voor families die door de oorlog verdreven waren. Hij en Jannie verwijderden NSB-propaganda als daad van verzet.
Ze werden echter verraden en op een avond in april 1944 stond de Sicherheitsdienst aan de deur. Jannie’s poging om de aanwezigheid van de onderduikers te verhullen, mislukte en de hele groep, inclusief Willem en Jannie, werd meegenomen. De familie Brilleslijper, die door hen was verborgen, vond hun tragisch einde in Auschwitz. Willem doorstond de beproevingen van verschillende kampen en werd uiteindelijk gedwongen om in Sachsenhausen granaten te maken. In februari 1945 werd Willem naar het concentratiekamp Mauthausen overgebracht, waar hij slechts een maand later overleed.

Kees Langendonk, een betrouwbare man met een onschuldig einde

In ’s Heeren Loo was bewoner Kees Langendonk, beter bekend als Keesje, een vertrouwde en gewaardeerde man. Hij bracht boodschappen rond voor de directie en het personeel van ’s Heeren Loo. En zo was hij op een winterdag in 1945 op weg naar Harderwijk, toen hij onverwacht een aantal Duitse soldaten trof. Deze ontmoeting werd Keesje noodlottig. Ten onrechte werd Kees beschuldigd van terrorisme en samen met een ander slachtoffer geëxecuteerd.
Hun lichamen bleven drie dagen liggen, als een kille waarschuwing. Ze hadden geen enkel kwaad in de zin gehad, maar toch werden ze slachtoffer. Kees ligt nu op het Ereveld Loenen.
Antien, een echte verzetsstrijdster
Antien Hakkers, door haar vrienden Anti genoemd, werd op 24 mei 1922 geboren in Ankum. Zij groeide op in een warm gereformeerd gezin met drie broers en drie zussen. In 1940 volgde ze haar roeping en werd verpleegster in de psychiatrische instelling Wolfheze, waar ze al snel bekend stond om haar levendigheid en vastberadenheid. Antiens diepgewortelde geloof en sterke persoonlijke overtuigingen dreven haar richting het verzet. Als koerierster bracht ze berichten over en speelde ze een cruciale rol bij de bescherming en verzorging van Joodse kinderen en onderduikers op het platteland van Lemelerveld.
2 Timoteüs 1 vs 7 was haar credo: God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Haar ouders maakten zich zorgen, maar Antien bleef standvastig. Tragisch was haar einde, op 17 september 1944. Ze was na kerktijd bij een collega en haar dochtertje Riki op bezoek gegaan. Het geallieerde bombardement trof het huis waar ze waren. Antien stierf ter plekke, de kleine Riki iets later.

Lees hier deel twee van deze dag. En hier deel drie.




