Lees hier deel één van deze dag. En hier deel drie.
In 1791 was Keetje de rijkste vrouw van heel Haarlem. Een kleine twee miljoen gulden had ze tot haar beschikking en vandaag loop ik rond in haar huis.
Keetje werd op 24 november 1768 geboren als Catharina Cornelia Hodshon, dochter van Albertus, een linnenkoopman en Catharina Cornelia van der Graas. Haar opa was in de 17e eeuw in Nederland neergestreken vanuit het Schotse Newcastle en nee, de achternaam is geen verbastering van Hudson. Het is een Schotse achternaam.
De familie was doopsgezind, waardoor haar vader geen functies in het stadsbestuur mocht vervullen.
Keetje was het vierde kind in een gezin van vijf maar nog voordat zijzelf 12 was, had ze vrijwel haar hele familie al verloren. In 1772 stierf haar broer Jacob (8 jaar), in 1777 haar moeder (42 jaar), in 1780 haar vader (45 jaar) en haar enige zus Johanna (19 jaar) Zij en haar broers Albertus en Isaac kwamen onder voogdij te staan van o.a. de patriot Pieter Kops en het Hugenoten-echtpaar Delprat-Humbert werd aangesteld om voor hen te zorgen.
Erfenis
In 1791 diende Keetje een verzoekschrift in om eerder dan haar 25ste verjaardag meerderjarig te worden verklaard. En zo beschikte ze als 21-jarige over het fabelachtige fortuin van 1.938.394 gulden. Hoeveel dat in de huidige Euro’s is, weet ik niet, maar het moet een enorme hoeveelheid zijn geweest. Tenminste als ik zie wat ze ervan heeft laten bouwen.
In 1793 kocht ze buitenplaats Oud-Berkenroede bij Heemstede maar ook enkele huizen aan het Spaarne. Die huizen liet ze met de grond gelijk maken en hierop liet ze een stadspaleis bouwen.
Stadspaleis
Sinds vorig jaar ben ik lid van de vereniging Hendrick de Keyser en vandaag is er een ledendag voor nieuwe leden en we worden ontvangen in het Hodshon Huis, het stadspaleis van Keetje.
In 1795 was het huis klaar en het was toen het op één na grootse particuliere huis van Haarlem, met maar liefst 42 kamers. Keetje bleef hier met haar personeel wonen tot aan haar dood in 1829. Ze was toen 62 jaar.
Er is weinig bekend over hoe ze het huis gebruikte, hoewel de inventarislijst suggereert dat het huis volledig toegerust voor grote ontvangsten. Maar bewijs dat dit ooit is gebeurd ontbreekt.
Na haar dood bleek nog een kwart van haar vermogen te resteren, nog steeds een aanzienlijk bedrag, en de erfenis bleef in de familie, afgezien van de legaten waarmee Keetje, die zelf doopsgezind was, instellingen van verschillende religieuze signatuur bedacht.
Haar huis aan het Spaarne werd aangekocht door de Amsterdamse bankier Adriaan van der Hoop (1778-1854), een broer van haar schoonzuster. Van der Hoop heeft het huis nooit bewoond. Rond 1834 kwam het Hodshon Huis in handen van G.D. Poelman, een handelaar uit Gent. In 1841 werd het huis voor 29.500 gulden verkocht aan de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, die daar sindsdien is gevestigd.
De Maatschappij is ook betrokken bij de uitreiking van de jaarlijkse Keetje Hodshon Prijs die sinds 1995 wordt uitgereikt aan onderzoekers in de geesteswetenschappen.
Keetjes leven was verder weinig opmerkelijk. Ze vervulde vanaf 1809 haar eerste formele maatschappelijk functie als regentes van het Wijnbershofje, maar zou ze niet dat enorme huis aan het Spaarne hebben laten bouwen, dan hadden we misschien niet meer geweten dat ze ooit bestaan had.
Haar huis is echter wél opmerkelijk, omdat het in in architectonisch opzicht bekend staat als een voorbeeld van de overgang van de Lodewijk XVI-stijl naar Empire.
We mogen op de eerste verdieping in vier vertrekken rondkijken. Bijzonder aan de inrichting is dat je kunt zien waar de belangstelling van de upper class naar uitging: de ontdekking van Pompeï en Herculaneum en de opgravingen in Griekenland.
De Blauwe Zaal (Muzieksalon)
Alsof ik in een Wedgwood-servies rondloop, nee, echt.
Even de officiële tekst van de site van Hendrick de Keyser: Deze muziek- en feestruimte vormt het hoogtepunt in de reeks van de representatieve zalen. Een aangrenzende dienkamer verhoogde de bruikbaarheid bij ontvangsten. De wandopbouw is geleed door 25 pilasters met Grieks Ionische kapitelen. Het stucwerk in de kamer werd uitgevoerd door de Haarlemse stucwerker J.J. Martin. Tegen de lange wand zijn stucreliëfs aangebracht met de vier seizoenen. De meubelen zijn in 1909 geschonken aan de Hollandsche Maatschappij door prof. Bosscha, de secretaris van de Maatschappij. De kolomkachel is geplaatst bij de laatste restauratie.

De Etrurische Kamer
Een strakke kamer met aan de wanden portretten van hooggeleerde heren (en een enkele dame) van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, maar even beter kijken en overal is schilderwerk te zien dat geënt is op Griekse roodfigurige vazen.
Weer even de site: Een zeldzaam voorbeeld van een ‘Etruscan Room’ in ons land. De zaal is gedecoreerd met schilderwerk, in terracotta en zwart bruin. De motieven afgeleid van de Griekse vaasschilderkunst. De schouw is mogelijk het uitgangspunt geweest bij de decoratie. De wandbespanning heeft een sierrand met bloemen en vogeltjes. Aan de wanden hangen portretten van bestuursleden van de Hollandsche Maatschappij.

De Rode Zaal
Wanden vol met boekenkasten, overal houtsnijwerk, een fraai plafond met kroonluchters, spiegels, wandtafeltjes.
Volgens de site: Voorzien van delicaat houtsnijwerk, stuc en pâtewerk op wanden en plafond. Ook hier zijn de decoratieve motieven van de schouw herhaald in de rest van het vertrek. Rond 1885 werd de functie van het vertrek gewijzigd in bibliotheek, met boekenkasten waarvoor de originele betimmeringen zijn gebruikt. De kleurstelling werd toen veranderd in een roze toonzetting (oorspronkelijk rood, goud verguld en wit).

De Aula
Voor de lezing over de Vereniging Hendrick de Keyser en het Hodshon Huis lopen we door de gang naar de naastgelegen aula. Alsof je Zweinstein inloopt en Harry Potter zo om de hoek kan komen op Nimbus 2000, zijn bezem.
De website laat me weten: Het 150-jarig bestaan van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen in 1902 was de aanleiding voor de bouw van een gehoorzaal of aula in de voormalige tuin van het huis. Het aulagebouw werd ontworpen door het architectenbureau van Jacob Frederik Klinkhamer (1854-1928) en Bert Johan Ouëndag (1861-1932).
Ouëndag ontwierp het gebouw in een terughoudende neorenaissance stijl, waarin ook wel rationalistische invloeden zijn te vinden.
Een opmerkelijk element van het gebouw is de decoratieve, historiserende kap van de gehoorzaal. Deze doet denken aan zogenaamde ‘hammerbeam’-kappen uit de Engelse gotiek.


