Lees hier deel één van deze dag. En hier deel twee.
Na mijn bezoek aan het Hodshon Huis was het tijd om naar Ede te zijn. Nee, ik ga nog niet naar huis. Ik had een kaartje gekocht voor een uitvoering van de cantates vier, vijf en zes van het Weihnachtsoratorium. Via Utrecht en Amersfoort reis ik op mijn gemak naar Ede Centrum. Even foerageren tegenover het station en dan naar de Oude Kerk
Er staat al een behoorlijke rij en ik heb geen kaartje voor de eerste rang. Gelukkig ben ik snel binnen en ik zoek een plekje op in het transept, zodat ik van opzij alles kan volgen. Er is een klein nadeel, de zang van de solisten is wat minder verstaanbaar, maar de rustige plek en het goede zicht maken alles goed.
Ruim een jaar geleden, op 14 december 2024, had ik de delen één, twee en drie van het Weihnachtsoratorium kunnen beluisteren in Culemborg. Met dezelfde uitvoerenden: het Vocaal Ensemble Sonante Vocale en het ensemble Capella Maria Barbara o.l.v. Patrick Pranger. Alleen de solisten zijn anders. En de kerk.
De Grote of Sint Barbarakerk van Culemborg is veel groter dan de Oude Kerk in Ede. En veel sfeervoller, moet ik zeggen. Toen, vlak voor kerst, prachtig versierd, het licht gedempt. Hier alles wit en strak, en ongelooflijk hel verlicht. Maar gelukkig doet dat niets af aan de zeggingskracht van de muziek van Bach.
Weihnachts–Oratorium
Het oratorium bestaat uit zes korte cantates, zo’n 20 minuten per cantate, en het is daardoor korter dan de Hohe Messe en de Matthäus-Passion, maar toch is het nooit bedoeld geweest voor een integrale uitvoering. Bach heeft het zeker nooit zo uitgevoerd, want iedere cantate was bedoeld voor de specifieke zon- en feestdagen van Eerste Kerstdag 1734 tot en met Driekoningen 1735.
Bach trad in 1723 in dienst bij de Thomaskirche in Leipzig en moest wekelijks een cantate opleveren voor de eredienst. Tussendoor ook nog stukken voor bijzondere gelegenheden (denk aan het Magnificat) en de diverse motetten. Het Weihnachtsoratorium is pas in 1734 gecomponeerd en hiervoor speelde hij leentje-buur bij zichzelf. De meeste koren en aria’s zijn bewerkingen van eenmalige, niet-religieuze feestcantates die Bach in voorgaande jaren in Café Zimmerman had uitgevoerd met zijn Collegium Musicum. Denk hierbij aan verjaardagen en geboortes aan het koninklijk en keurvorstelijk hof.
Opbouw
Hiervoor citeer ik Eduard van Hengel.
Tussen de openings- en slotkoren van de afzonderlijke delen staan steeds vier soorten tekst, met hun karakteristieke muzikale vormen, en meestal in deze volgorde:
a) lezing: het bijbelverhaal, de ruggegraat van het WO, voorgedragen door de evangelist, een tenor, als secco-recitatief, d.w.z slechts begeleid door continuo. Sprekende groepen treden op in groepskoren (turbae) in oude motetstijl: engelen(21), herders (26), wijzen (45)
b) uitleg: het accompagnato-recitatief: vrije poëzie, metrisch en berijmd, die de evangelietekst interpreteert, voor een solist met begeleidende instrumenten.
c) bezinning: aria’s voor solisten en instrumenten, eveneens op vrije poëzie, waarin de individuele gelovige de existentiële betekenis van het voorafgaande overweegt.
d) bevestiging: koralen, op tekst en melodie uit de Leipziger gezangenbundels, maar in Bachs harmoniseringen: de christelijke gemeente belijdt haar geloof.
Deze vier tekstniveaus dienen Bachs doel: geen historiserend drama maar een actualiserende muzikale verkondiging van de in het gebeuren besloten geloofsinhouden.
Voor welke dagen waren de cantates bedoeld?
De eerste cantate was voor Eerste Kerstdag en de vreugde spat ervan af met het openingskoor: Jauchzet, frohlocket, auf, preiset die Tage. Pauken en trompetten maken de vreugde hoorbaar én voelbaar, als je dicht in de buurt zit. En dat zat ik in december 2024. Wauw, wat is dat geweldig om van zo dichtbij mee te maken. Wel apart is dat Bach het openingskoor baseert op een wereldlijke cantate waarvan de tekst overeenkomt met de muziekinstrumenten: Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten! Waarom hij dat zo heeft gedaan, zullen we wel nooit te weten komen.

Cantate twee is voor Tweede Kerstdag en gaat over de herders. Het openingskoor is Und es waren Hirten in derselben Gegend. Bach weet zoiets altijd voelbaar te maken met pastorale muziek, in een wiegende maatsoort, en met veel (herders)fluiten.

De derde cantate is voor derde kerstdag. Hier weer trompetten en pauken in het openingskoor Herrscher des Himmels, erhöre das Lallen. Hier vraagt het koor om verontschuldiging voor de stamelende aardse klanken na het hemelse koor van de engelen.

Deel vier is geschreven voor nieuwjaarsdag of voor het Festo Circumcisionis Christi, het feest der besnijdenis. Dit deel is beroemd vanwege de prachtige echo-aria. De sopraan zingt de tekst en de hobo en een koorlid echoën afwisselend de laatste noot.

Deel vijf neemt ons mee naar het paleis van koning Herodes waar de magiërs uit het Oosten zijn aangekomen. Deze cantate Ehre sei dir, Gott, gesungen is bedoeld voor de zondag tussen Nieuwjaar en Drie Koningen, want in 1734/1735 was er geen zondag tussen Kerst en Oudjaar.

Bij de slotcantate zie ik de paukenist weer verschijnen. Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben is geschreven voor het Epifaniënfeest ofwel de Openbaring van de Heer, gevierd op 6 januari, Driekoningen. Het middendeel van deze cantate is een prachtig gezongen Ich steh an deinen Krippen hier. In het slotkoor stralen de trompetten en de pauken maken het feest voelbaar.

Ik ga snel weg, niet alleen voor de drukte uit, maar ook omdat ik de trein wil halen. Op het station loop ik één van de hoornisten tegen het lijf en met hem sta ik nog even na te praten over dit prachtige concert.
En heel eerlijk: ik zou wel eens een serie diensten willen meemaken rondom Kerst waarin dit prachtige muziekstuk centraal staat.
