Ben ik blij dat ik mijn fleecedeken had meegenomen. Toen ik de kerk inliep, leek de temperatuur nog best goed, maar nu ik wat langer stilzit in de bank kruipt de kou langzaam op. Maar ik wil het concert beluisteren en dus pak ik de fleece uit mijn rugzak om zo op temperatuur te blijven.
Tengevolge van het weer had mijn leven zich de hele week afgespeeld in en rondom huis en vandaag wil ik even mijn horizon verbreden. Een week geleden had ik bedacht vandaag naar Zwolle te gaan, maar met de weersomstandigheden leek een bestemming dichter bij huis verstandiger. Het werd… Utrecht!
Natuur
Ik stap uit bij station Vaartsche Rijn om vandaar direct naar mijn eerste stop te wandelen: het Centraal Museum, gevestigd in het voormalige Agnietenklooster, naast de Nicolaïkerk. Vandaag alles fraai afstekend tegen de vele sneeuw die hier nog ligt.
Afgelopen week hield de natuur ons in haar greep: sneeuw, vorst, gladheid. Op allerlei manieren werd het dagelijks leven anders en moesten we ons aanpassen. Treffend dat het Centraal Museum in de kelders van de voormalige stallen van het klooster een tentoonstelling heeft over de natuur.
Uitgangspunt is de Collectie Munnicks van Cleeff (ook wel Atlas Munnicks van Cleeff) die het museum in bruikleen heeft van de Van Vlissingen Foundation. Aan de verwerving van die atlas door deze stichting zit nog een verhaal vast, waarin een erfgenaam van prinses Juliana tegen de afspraken in de collectie aanbood aan anderen dan Nederlandse musea.
De collectie bestaat uit 1500 landschapstekeningen en -prenten uit de 17e en 18e eeuw en via een videoinstallatie krijg je ook te zien hoe het er nu uitziet op de locatie van de tekening.
En dan ben je gelijk in het thema van de tentoonstelling. Wij mensen leven met en in de natuur, maar we doen ook van alles met de natuur om ons heen, maar luisteren naar de natuur? O, wat zijn we daar slecht in.
Waar we wel goed in zijn?
We hebben angst voor de natuur, denk aan de wolf die weer terug is. In de tentoonstelling is een tekeningetje te zien waarop de laatste wolf van Nederland wordt gedood. Slechte oogsten, overstromingen, noodweer, ziekte, het allemaal zomaar gebeuren. De mens vreest de natuur maar heeft haar net zo hard nodig om te leven. Een wankel evenwicht is het: de natuur gebruiken maar haar niet uitputten.
De mens waant zich vaak heerser over de natuur. We zetten alles in de natuur naar onze hand, door kennis te vermeerderen, maar ook door dieren te temmen of te fokken, gewassen te vermeerderen en veranderen, in te grijpen in het landschap. De mens ervaart daardoor nog nauwelijks meer dat hij ook onderdeel is van diezelfde natuur totdat die natuur laat merken er nog steeds te zijn en nog steeds in staat te zijn de mens tot stilstand te brengen.
Bij de tentoonstelling hoort een soort podcast. De moeite van het beluisteren waard. Wat mij hierin het meeste trof was het beluisteren van sapstromen in bomen.
Ook zonder deze podcast is de tentoonstelling de moeite van het bezoeken waard, omdat er vele prachtige voorbeelden van de natuur in de kunst te bezichtigen zijn. Schilderijen, beschilderd behang, kleding, tekeningen, videokunst: op allerlei manieren legt de mens de natuur vast.
Koningen
Ik loop verder, de Lange Nieuwstraat in, naar het Catharijneconvent en de naastgelegen Catharinakathedraal. Ik loop eerst de kerk in, om een blik te werpen op de grootste kerststal van Nederland en dan ga ik het museum in.
Aflopen zondag was het Epifanie of Openbaring van de Heer. Dit feest wordt gevierd op 6 januari of de eerste zondag na 1 januari, dit jaar dus op 4 januari. We kennen het beter als Driekoningen.
(Wist je dat de relieken van de drie koningen bewaard worden in de Dom van Keulen?)
In de kerststal en in het Catharijneconvent kom ik diverse afbeeldingen tegen van de magiërs uit het Oosten, zoals ze in Matteüs 2 worden beschreven. Uit het bijbelverhaal is absoluut niet op te maken met hoeveel ze waren, hoe ze reisden, waar ze precies vandaan kwamen of hoe ze heten.
Terzijde 1: Een magus (meervoud magi, Chaldeeuws: mag, Grieks: μάγος mágos, meervoud magoi) was een Perzische priester van het zoroastrisme. (Bron Wikipedia)
In het museum en bij de kerststal zijn deze magiërs direct te herkennen. Ze reizen op kamelen, zijn rijk gekleed en bieden geschenken aan. Drie geschenken worden in de bijbel genoemd, goud, wierook en mirre.
Die drie geschenken zijn de basis voor de drie koningen of wijzen, één geschenk per persoon. In de traditie kregen ze ook namen: in het Grieks Apellius, Amerius en Damascus, in het Hebreeuws Galgalat, Malgalat en Sarathin, maar het best bekend zijn ze onder hun gelatiniseerde Perzische namen Caspar, Melchior en Balthasar. Ze zouden respectievelijk 60, 20 en 40 jaar oud zijn geweest, waarmee ze de levenstijdperken van een mens vertegenwoordigen. En ze vertegenwoordigen de dan drie bekende werelddelen. Caspar is de oude Europeaan, Balthasar de 40-jarige Aziaat en Melchior de jonge Afrikaan.
Terzijde 2: waarom goud, wierook en mirre? Twee verklaringen: het waren de destijds kostbaarste geschenken of ze verwijzen naar Jezus’ koningschap (goud), zijn goddelijkheid (wierook) en zijn begrafenis of zijn zalving tot Messias (mirre).
Kamermuziek
Na een beker gemberthee met wortelcake in het museumcafé ga ik naar de grote Dom. Het is zonnig geworden en kerk en toren stralen in de besneeuwde omgeving. Binnen is het eerst aangenaam, maar al gauw worden verwarmde kussentjes en fleecedekens uitgedeeld om warm te blijven. Want vanmiddag is er zoals iedere zaterdagmiddag een concert. Hoewel bij het concert van vandaag wel deze oude uitdrukking staat: ijs en weder dienende!
In 1726 publiceerde François Couperin zijn kamermuziekreeks ‘Les Nations’. Het bestond uit muziek die hij als eerder had gemaakt. Het zijn vier concerten met telkens dezelfde opbouw: een Sonade (sonate) geïnspireerd door de klankwereld van de Italiaanse componist Corelli en aansluitend een Suite met Franse barokdansen. De muziek was bestemd voor uitvoering aan het hof van de Franse koning Lodewijk XIV, de Zonnekoning.
De concerten hebben de namen van de vier grote koninkrijken van die tijd: La Françoise, l’Espagnole, l’Impériale en La Piémontoise.
Vanmiddag worden La Piémontoise (Italië) en l’Impériale (het Habsburgse Rijk) uitgevoerd. In het centrum van het koor staat een klavecimbel. Ernaast een stoel en drie muziekstandaards. Die zijn voor de cellist en de beide violisten.
Ik zit op een plek waarop ik alle vier musici goed kan zien én beluisteren.
Tussen beide concerten in verruilt domorganist Jan Hage het klavecimbel voor het grote Bätz-orgel. Hij speelt hierop een stuk van Bach, gebaseerd op een werk van Couperin, de Aria F-Dur BWV 587 nach einem Triosatz von François Couperin.
François Couperin (Parijs, 10 november 1668 – aldaar, 11 september 1733) wordt gerekend tot de meest vooraanstaande barokcomponisten, en met name van klavecimbelmuziek. In 1693 werd hij benoemd tot organiste du roi ofwel organist van de koning, een zeer vooraanstaande positie in het Frankrijk van die tijd. Hij gaf ook les aan de kleinzoon van de koning en aan de kinderen van de koning en zijn maitresses. In 1717 werd hij (onder Lodewijk XV) Ordinaire de la Musique de la Chambre du Roi pour le Clavecin ofwel de hofcomponist verantwoordelijk voor de kamermuziek en de muziek voor de Chapelle Royale.











