“Heel Gallië was bezet. Heel Gallië? Nee, één klein dorpje blijft dapper weerstand bieden.”
Asterix en Obelix
Het was zonnig op het station maar eenmaal in de trein werd het grijzer en mistig. Nu ik aan de wandel ben, is de mist wel weg, maar grijs blijft het de rest van de dag. Slecht op één moment wordt de lucht blauwer, maar dat is van heel korte duur.
Ik ben in het Groene Hart van Nederland, in Alphen aan den Rijn. Eerst koffie mét en dan op stap. De eerste kilometers loop ik oostwaarts langs de Oude Rijn, de rivier die stroomt in de vroegere hoofdloop van de Rijn en die zo’n 2000 jaar geleden de noordgrens van het Romeinse rijk vormde. Een cortenstalen Romein aan de oever herinnert aan dit verleden.
Maar ik ben hier niet voor de Romeinen, maar voor windkastelen, zoals ze genoemd worden op de website over dit unieke stukje Nederland. Ik ga wandelen langs de Molenviergang Aarlanderveen.
Spoorlijn
Ik steek de Treinweg over en ja, hier liep ooit een spoorweg. Aan de overkant van de rivier staat een dubbel baanwachtershuis en hoog boven de overige bebouwing torent het stationsgebouw Halte Gouwesluis. Nu een woonhuis, maar van 1915 tot 1936 een station aan de spoorlijn Uithoorn-Alphen aan den Rijn, één van de Haarlemmermeerspoorlijnen. De lijn sloot hier, bij Gouwesluis, aan op de spoorlijn vanuit Gouda. Bijnaam was het Bonenlijntje, omdat er veel bonen werden vervoerd.
In Aarlanderveen staat ook nog een station, nu ook een woonhuis.
Kerkvaart
Die spoorlijn is bijvangst, zullen we maar zeggen, want ik stap nu de weilanden in. Het pad heet Kerkvaartspad, later de Kerkvaartsweg, want de sloot aan mijn linkerhand is de Kerkvaart, de oude scheepvaartverbinding van Aarlanderveen met de Oude Rijn. En recht voor me zie ik inderdaad de kerktoren van Aarlanderveen.
Het is hier stil, op het gerucht van de vele vliegtuigen na (ik zit vlak in de buurt van Schiptol, tenslotte), het waait minder dan de afgelopen dagen en al is er geen zon, het is veel minder koud.
De Putmolen
Vrijwel onmerkbaar daal ik af, tot ik bij de Putmolen sta, molen nummer vier van de Molenviergang. Bij de molen staat een paal met de letters N.A.P. Al is het aan de overkant van het water, ik zie wel dat er heel wat ruimte zit tussen mijn hoofd en die letters. Hoe ver zit ik hier onder peil? Dat blijkt ruim vijf meter te zijn en bijna vijf meter onder het peil van de Oude Rijn.
Molen nummer vier staat niet in één lijn met de andere drie en dat komt omdat dit stuk van de polder als laatste werd verveend en veel dieper werd. Toen de vervening klaar was, werd molen nummer vier in 1801 gebouwd. Het is, net als de andere drie molens, een grondzeiler op een stenen voet met een achtkantige houten rietgedekte bovenbouw. De molen maalt het polderwater met een vijzel zo’n 90 centimeter omhoog.
En al was het lang de jongste molen, nu is het de oudste van de vier. Molens hebben niet het eeuwige leven, en ook de Putmolen heeft rampspoed te verduren gehad, maar bleef als enige wel staan. In 1989 brak de bovenas en daarmee ging het hele wiekenkruis verloren en nét na het herstel sloeg de bliksem in. Het hele bovenwiel moest vernieuwd, maar ook de gloednieuwe bovenas.
Aarlanderveen
Ik probeer het me voor te stellen: vlak achter het dorp was een grote en diepe waterplas van maar liefst 500 hectare ontstaan door het baggeren en vervenen en deze vier molens hebben die plas leeggemalen. Water, wind & wieken, zoals het zo mooi op de website van de viergang staat.
Ik eet mijn broodjes op aan de kant van de weg, loop naar het voormalige station, langs de kerk en het oude Rechthuys en dan over de smalle dijk waaruit Aarlanderveen bestaat. Er staan prachtige huizen en boerderijen, sommige wel wat scheefgezakt. Over een erf moet ik met een boomstam over een sloot om zo weer de polder in de komen. Dan merk ik pas hoe diep de polder is.
De Ondermolen
Als ik bij molen nummer één aankom, wordt er net een kudde schapen verweid. Leuk om te zien, de boer rammelt met een emmer biks, de schapen hollen achter hem aan over de weg naar het nieuwe stuk wei, maar ook schapen uit een ander stuk rennen naar het hek. Helaas.
De huidige molen stamt uit 1924, maar de oorspronkelijke molen werd gebouwd in 1786. In februari 1924 brandde de molen af. in 1924 hebben ze een molen uit Bleiswijk gedemonteerd en hier in elkaar gezet. In 1956 werd het scheprad verdiept, want het polderpeil van 1786 was een meter hoger dan in 1956. Nu brengt de molen het water 1,25 meter omhoog.
De ‘nieuwe’ molen had het zwaar te verduren. in 1966 brak de bovenas, waardoor het wiekenkruis vernield werd. Een tweedehands as uit een molen in Benthuizen werd geplaatst, maar die brak in 1970 ook en het wiekenkruis ging er ook weer aan. Met onderdelen van andere onttakelde molens werd de molen gerestaureerd.
De Middenmolen
Een paar honderd meter na de Ondermolen staat de Middenmolen, molen nummer twee.
Oorspronkelijk gebouwd in 1786, maar in 1868 brandde de molen af. Herbouw startte in 1869. In de jaren 1970 was de molen erg verzakt en is-ie rechtgezet. Daarbij werd ontdekt dat vrijwel alle originele funderingspalen scheef stonden en deels gebroken waren. In 1998 werd de kap grotendeels vernieuwd.
De molen voert het water liefst 1,40 meter op.
Als ik verder loop, kan ik schuin van onder naar de molen opkijken. Wat imposant is dit gebouw, wat imposant zijn deze historische machines. Windkastelen worden ze wel genoemd. Ik snap dat wel.
Sifon
Tussen molen twee en molen drie kom ik bij een heel bijzonder stukje waterbouwkunde. Gedachtenloos zou je er aan voorbij kunnen lopen. Ja, ik zie water, diverse sloten zelfs. Nou en? We zijn in Nederland.
Maar je moet even heel goed kijken. Het water van de molensloot loopt niet door! En dat klopt, want hier ligt onder de Grote Wetering die oost-west loopt een duiker of een sifon. Met deze sifon kan het water van de molenviergang toch naar de Rijn worden gemalen.
Ik sta hier nl. op de grens van de Drooggemaakte polder (de polder die door Molenviergang werd drooggemalen) en de Zuid- en Noordeinderpolder. Bij de bouw van de molens en de drooglegging van de polder wilden de eigenaren van de Molenviergang niet meewerken aan de waterafvoer van die Zuid- en Noordeinderpolder, waardoor ze het water onder de Grote Wetering door hebben gelegd. Een voor die tijd uniek stukje waterbouwkunde. We praten 1786!
De Bovenmolen
Bij molen nummer drie staan drie gebouwtjes aan de waterkant: een hooibergje, een kleine smidse of zoiets en een schuurtje. Echt zo’n nostalgisch geheel. Op het erf is een jongeman wilgen aan het knotten.
De eerste molen werd gebouwd in 1786 maar in 1823 brandde de molen al af. De steunmuren uit 1786 bleven daarbij intact waarop een nieuwe molen werd gebouwd, waarbij wel gebruik gemaakt werd van onderdelen van andere gesloopte molens.
Wat is een molengang? Een molengang is een rijtje molens, een gang wordt dat genoemd, die samenwerken om trapsgewijs overtollig water uit een laaggelegen polder omhoog te malen en uiteindelijk in een rivier te spuien. In Aarlanderveen werken vier molens samen: een viergang. Elke molen doet zijn deel van het werk en ‘tilt’ het water een stukje op, zo’n meter tot anderhalve meter. In totaal moet een hoogteverschil van meer dan vijf meter worden overbrugd. Via de laatste, de Bovenmolen, gaat het water de Oude Rijn in.
Molengang Aarlanderveen
De Molengang Aarlanderveen is de enige nog authentiek werkende molengang ter wereld. Tot op de dag van vandaag wordt de polder achter het dorp Aarlanderveen bemalen met deze vier molens, gerund door deskundige molenaars die in en bij de molen wonen. Slechts in een heel enkel geval (bij volslagen windstilte of als het water echt nú weg moet) springen de elektrische hulpgemalen van het Hoogheemraadschap Rijnland bij.
“Heel Nederland wordt bemalen met elektische gemalen. Heel Nederland? Nee, één klein dorpje blijft dapper weerstand bieden.”








