Wat is kunst? Kunst is (volgens Wikipedia) de bewuste creatie van iets moois of betekenisvols met behulp van vaardigheid en verbeelding. Het omvat een breed scala aan menselijke activiteiten, waaronder schilderen, tekenen, grafiek, beeldhouwen, moderne mediakunst, theater, dans, muziek en zang, fotografie, film, architectuur, literatuur en poëzie.

En wat is een kunstenaar? En weer citeer ik Wikipedia: Een kunstenaar is iemand die zijn of haar creatieve begaafdheid gebruikt om kunst te maken. De term wordt tegenwoordig gebruikt voor beoefenaren van elke kunstvorm: beeldende kunst, muziek, literatuur, theater, film en fotografie.

Religieuze kunst
Ik geniet van het uitgebreide ontbijt in mijn voortreffelijke hotel en vertrek dan naar de Sint Servaas. Deze basiliek wordt beschouwd als de oudste kerk van Nederland. De kerk is nog niet open en daarom wandel ik naar de Onze Lieve Vrouwe. Hier zijn de deuren open en kan ik de grote somber aandoende kerk betreden. Cuypers heeft in tussen 1886 en 1916, samen met zoon Jos, de kerk teruggebracht naar de staat van de 12e eeuw. Ik hoor orgelspel en loop op mijn gehoor af, richting het koororgel.
Als de organist even pauzeert, vraag ik wat hij speelt en dat blijken de Noëls pour orgue van Balbastre te zijn. Hij eindigt met variaties op ‘Midden in de winternacht’.

Ik drentel door de kerk en bewonder de kunstschatten die overal te zien zijn. En dan te bedenken dat er nog veel meer weg is. In deze kerk stonden ooit 30 altaren. En nu? Een handjevol, meer niet.

Ik wandel naar de Maas en steek met de Hoge Brug de rivier over, op weg naar het Bonnefantenmuseum. De naam komt van het voormalige klooster in de binnenstad waar het museum van 1951 tot 1978 gevestigd was. Dit klooster had in de volksmond de benaming Couvent des bons enfants (Klooster van de goede kinderen) gekregen, omdat de jeugd door de kloosterzusters voorbeeldig werd opgeleid. Bons enfants verbasterde tot Bonnefanten.

Ik kom vandaag speciaal voor de afdeling religieuze kunst. Tijdens mijn lessen kunstgeschiedenis leerde ik dat het tot in de Middeleeuwen duurde voor de ambachtslieden hun werk signeerden. Hun werk werd niet als een zelfstandig kunstwerk gezien, maar als een ambacht en, in het kader van de kerk, als een Gode welgevallig iets. Je eigen ego, je eigen eer was ondergeschikt aan je werk.
daarom hangen en staan hier vele beelden waarvan geen maker bekend is.
Sommige werken die van dezelfde hand lijken te zijn, krijgen een noodnaam mee. De Meester van Elsloo bijvoorbeeld.
Toch drijft er in die vroege tijd zo nu en dan iemand naar boven die wél zijn naam op zijn werk zet.

Zo iemand is Jan van Steffeswerth, die leefde van ca 1460 tot na 1538 en die, gezien zijn naam, vermoedelijk uit Stevensweert kwam. Hij signeerde zijn werk en daardoor zijn maar liefst 15 werken aan hem toe te schrijven. Hij was in zijn tijd een invloedrijk kunstenaar in de Maaslandse regio en zelfs in het Luikse.
Er hangen en staan hier een paar prachtige beelden van zijn hand.

Een deur verderop stuit ik op de collectie religieuze kunst van Neutelings. Neutelings was fabrikant van de Liga en verzamelde na zijn pensioen deze objecten. Albast, koper, zilver, ivoor, messing, email: een hele zaal vol met prachtige voorwerpen, waaraan ik me kan vergapen.

Toneel
Ik pak de trein naar Kerkrade. Ja, naar Kerkrade. Ergens in november heb ik een kaartje gekocht voor de toneelvoorstelling ‘Het geluk van Limburg‘.
Het toneelstuk is een vrije bewerking van het gelijknamige boek van Marcia Luyten. Ik vind schrijven al een hele kunst, maar om een boek, liever een periode, om te werken naar een toneelscript, met teksten en liederen? En dan een decor bouwen wat recht doet aan alles wat je wilt laten zien?

En wat zie ik dan?
Opkomst, bloei en ondergang van de kolenindustrie in Limburg is het korte antwoord. Het lange antwoord is: grootvader Huub en kleinzoon Sjefke. Sjefke wil opa meenemen naar de sluiting van de staatsmijn Willem-Sophia. Opa, kortademig en vergeetachtig, bromt wat en kucht wat. Ineens hoort hij iets, zang. Een jonge vrouw loopt zingend naar de waslijn en hangt de was op. Opa is ineens weer jong, samen met zijn vrouw Barbara. Mooi detail, die naam, want de heilige Barbara is de beschermheilige van de mijnwerkers.

Het hele toneelstuk door wisselt de focus van de oude man en zijn jonge kleinzoon, naar het verleden. De verkoop van de grond van Huub en Barbara aan de Staat, zodat mijnwerkerskoloníe Heilust kon worden gebouwd. Huub die  omwille van een vaste baan, ‘onder de grond’ gaat werken.
Het opkomende socialisme. De arbeidsomstandigheden in de mijn. Poolse Emiel, de collega en vriend, met zijn grappen en grollen, met zijn muziek, Emiel, die al lang dood is, gestikt onder een instortende mijngang. De macht van de Staat en van de Kerk (in de persoon van Monseigneur Poels en meneer pastoor).
Zoon Jan, die niet onder de grond wil. De oorlog, waarin de Duitsers kolen eisen. Na de oorlog, als Huub steeds meer moet hoesten, maar nee, hij is, net als zoveel mijnwerkers, continu verkouden, zegt iedereen. Stoflongen? Wel nee, en zeker niet als gevolg van werken in de mijn. Kom nou toch.

Huub is een besluiteloze man geweest, zijn hele leven lang. Grond verkopen aan de staat? Ja, nee, misschien wel of toch niet? Voor hij het weet heeft hij getekend, ondanks de bezwaren van zijn vrouw. Hij is een aarzelende meeloper (of misschien toeschouwer?)van het socialisme en communisme, als meneer pastoor het niet ziet. Er zijn onderduikers in huis, maar niet omdat Huub in het verzet zit, nee, Barbara gaat voorop. Barbara is ook degene die besluit om te scheiden.

Toch zegt Huub één keer: nee! En nog wel tegen de kerk.
Hij, die altijd zo mooi kon zingen in het koor, die de solopartijen mocht verzorgen, hij kan niet meer zo goed. Kortademig, altijd kuchen. Maar nu mag hij het vaandel dragen! Dat is toch ook een hele eer?

Voor die eer bedankt Huub!


Uiteraard werd het lied Koempel Sjeng van Carboon gezongen.

Koempel Sjeng

De koel is tow
D’r Sjeng hat sjiech
D’r duivel hoët zieng letste biecht
Ajuu pastoër
Dag koaleboer
Ich goan noe op de boemeltoer

De eierkoale
Sind failliet
D’r Sjeng verklopt d’r anthraciet
D’r koalesjlam
En nuuëtjes veer
Versjtoakt d’r Sjeng
In pötjes beer

Refrein:
Koempel Sjeng
koempel Sjeng
wirkloos zint noe dieng groete sjterke heng
koempel Sjeng
biet op dieng teng
want d’r ondergronder,
bliet toch d’r erme donder

De lamp is oet
D’r sjach lik sjeef
Alling d’r hoëge sjteeberg bleef
Et monument
van werk en zjweet
D’r Sjeng verdrinkt zie koelmansleed


Koempel Sjeng

De mijn is dicht
en Sjeng heeft ‘sjiech’ (einde werktijd)
de duivel hoorde zijn laatste biecht
Ajuus, pastoor, dag kolenboer
ik ga nu op de boemeltoer

De eierkolen zijn failliet
Sjeng verpatst de anthraciet
het kolenslik en nootjes vier
stookt Sjeng nu op in potjes bier

Refrein
Koempel Sjeng (maat, Sjeng=Jan),
koempel Sjeng
werkloos zijn je grote sterke handen
koempel Sjeng, bijt op je tanden
want de ondergronder
blijft toch de arme donder

De lamp is uit, de schacht ligt scheef
Alleen de hoge steenberg bleef
Het monument van werk en zweet
Sjeng verdrinkt zijn mijnwerkersleed


Plaats een reactie