Haar muziek en haar visioen in haar kerk.
Bertha
Ze werd tussen 26 juni 1426 en 25 juni 1427 geboren als dochter van Jacob van Lichtenberg, een vooraanstaand man in het Utrecht van die tijd. Hij werd in 1410 proost van het kapittel van Sint-Pieter en was ook kanunnik van het Dom-kapittel. In 1423 werd hij benoemd tot vicaris-generaal in spiritualibus oftewel geestelijk hoofd van het diocees. In augustus 1425 woonde hij bij het Janskerkhof. Hij overleed in 1449.
Bertha was dus een bastaard, maar wel van een zeer invloedrijke hoge geestelijke. Wie haar moeder was weten we niet, maar het was in de late middeleeuwen mogelijk dat een kanunnik kinderen had en zelfs met de moeder kon samenleven, als het maar niet teveel ophef veroorzaakte. Wellicht is Bertha dus in een redelijk gewoon gezin opgevoed, maar ze kan ook zijn uitbesteed bij een familielid. Toch heeft haar vader haar een goede opleiding laten volgen.
In 1449 ontvangt Bertha een erfenis –zowel haar vader als oma overlijdt in dat jaar– en die belegt ze bij de kerkmeesters van de Buurkerk. Uit die belegging kreeg ze rente en ‘mit dien ghelde wert die cluse getymmert’ (met dat geld werd de kluis getimmerd). Ze liet dus een kluis bouwen op eigen kosten, in de Buurkerk. Hoe groot die kluis was? Ik lees 4m² of 16m², maar hoe dan ook niet echt heel groot. Ergens tussen juni 1456 en juni 1457 vond er bij deze kluis een plechtigheid plaats. Bertha werd ingekluisd en moest de gelofte afleggen dat zij de rest van haar aardse bestaan een afgezonderd leven voor God zou leiden en gehoorzaam zou zijn aan de bisschop.
Ze kreeg een nieuw kleed aan, gebeden werden gezongen uit de mis voor de Heilige Geest, ze kreeg een crucifix en na de communie werd ze naar de cel geleid terwijl er gezongen werd uit het officie van Maria Magdalena, die speciaal door kluizenaars werd vereerd.
Na de sluiting gold Bertha als dood voor de wereld. Maar toch…
Ze had in haar kluis toegang tot de wereld. Een klein raampje gaf uit op de kerk en zo kon ze de (vele) missen in de kerk volgen. Een ander klein raampje gaf uit op de straat en één uur per dag ging dat open. Mensen uit de stad konden Bertha om hulp en advies vragen. En omdat Bertha in de Buurkerk, de grootste parochiekerk van de stad die tevens als informeel stadskantoor dienst deed, was ingekluisd zat ze bepaald niet in een rustig hoekje, dus het zal best druk geweest zijn.
De rest van haar tijd bracht ze door met nadenken en lezen over Christus’ leven, lijden en opstanding en over zijn moeder Maria. Omdat ze een goede opleiding had genoten, was ze ook in staat haar overdenkingen op te schrijven.
Ze leefde in de traditie van de Moderne Devotie, en legde zichzelf extra beperkingen op. Onder haar kleed droeg ze een ruwharig kleed direct op de huid, ze had geen schoenen en de kluis was niet verwarmd. Ze at geen vlees en geen zuivel. Vermoedelijk had ze een dienares die haar verzorgde op het gebied van eten en drinken of misschien leefde ze van giften. Hoe haar andere behoeften (o.a. sanitaire) werden geregeld, kan ik niet gewaar worden.
Op zondag 25 juni 1514 tussen zeven en acht uur in de ochtend overlijdt Bertha. Ze is dan 87 jaar en 57 jaar ingekluisd geweest. De domklokken luidden die dag tweemaal over Bertha, een eer als voor een prelaat. Zes dienaren huurde de Buurkerk in om over haar graf te waken en om de kerk te versieren voor haar rouwdienst op 26 juni. Op 27 juni werd ze begraven op de plek waar ze zo lang had gewoond, onder haar kluis, terwijl ook de klokken van de Sint Pieter luidden.
Sporen
Ik ben vanmiddag naar Utrecht afgereisd en ga een paar plekken langs die met Bertha te maken hebben. Of met Suster Bertken, zoals ze beter bekend staat. Op de Maartensbrug –de oudste brug over de Oude Gracht (de eerste vermelding van een brug is uit 1196)– staan lantaarnpalen en de console van één zo’n paal heeft een modern beeldhouwwerkje van het moment van inkluizing. Twee mannen sluiten de kluis, terwijl Bertken knielt met een boek op de lessenaar.
In de Choorstraat (spreek uit Koorstraat) ligt een grote stenen plaat in de straat voor Suster Bertken. Het afgebroken koor van de Buurkerk reikte tot in deze straat en hier ergens stond haar kluis en was ook haar graf.
In 2004 heeft het Utrechts Klokkenluiders Gilde een klok laten gieten voor het gelui van de toren van de Buurkerk en deze is naar Bertha vernoemd.
Ik loop langs de Dom waar haar vader kanunnik was, naar de Sint-Pieter waar haar vader proost was en dan naar de Sint-Jan waar haar vader en zij wellicht ook gewoond heeft.
Muziek
In de Buurkerk –nu Museum Speelklok– zingt vanavond Cappella Pratensis muziek uit de Bossche Koorboeken, maar ook een paar delen uit Lied IX van Suster Bertken. Daarnaast is er een verteller die het kerstvisioen van Suster Bertken zal voordragen.
Het kerstvisioen is, samen met andere teksten, in 1514 uitgegeven onder de titel Suster Bertkens boeck dat sy selver gemaect ende bescreven heeft. In de traditie van die tijd werd de Maagd Maria zo belangrijk gevonden dat zij het kerstverhaal vanuit Maria heeft beschreven.
Haar visioen wordt in de originele tekst voorgedragen, in het Middelnederlands. De Vlaamse tongval van voordrager Herman de Winné geeft een bijzonder cachet, iets authentieks wellicht, aan de oude tekst. Ik zit echt met groeiende aandacht te luisteren. Hoe kon een vrouw die zichzelf zo had beperkt, zo uitbundig schrijven?
‘Zo stond [Maria], van de aarde verheven, omringd door veel engelen van de drie koren, die haar ten dienste stonden, en de dauw straalde van haar kostbaar lichaam juist alsof zij omhuld was met een helder blinkende wolk waardoor heen de stralen schenen van het goddelijk licht waar zij van binnen vol was.’
Suster Bertken
De voordrachten worden afgewisseld met prachtige Gregoriaanse en Renaissance melodiën en drie coupletten uit Lied IX van Suster Bertken.
Ic voel in my een vonkelkijn.
Het luchtet inder ziele mijn.
Dair bi wil ic my saten.
Die mynnen vermach dat also wel
Een vuer dair of te maken.
Die blenckende cleder sijn al ghespreit.
Die duerbaer vaet sijn al bereit,
Elck nae sinen behoren.
Al wat dat inden hove dient,
Dat heeft die mynnen vercoren.
Wie sel dan hoghen dans verstaen?
Dat nyghen, dat zwighen, dat stille staen?
Dat zweven, omme ende omme?
Dat treden an, dat zweven an?
Die snelle hoghe spronghe?
Onderstaand gedicht over Suster Bertken vond ik te mooi om niet te delen.
“Hoe is het oog van wie met engelen spreekt?
Helder, lichtblauw en onuitsprekelijk lief,
louter de hemel op een dag in mei,
zelf hemel, licht van licht, maar hoe
dan eeuwig in die dichte kluis? Er is
een hofje bij, ik dacht: daar zit ze vaak
en kijkt naar boven, maar nee, dat doet
ze niet. Ze kijkt naar zeven bloemen,
een vlieg, wat mieren of een spin
tegen de dikke muur. De hemel is niet
boven maar overal waar God, die alles
is in alles, aandacht schept, waar
engelen kunnen komen om te spreken
tegen het licht van ogen die gelukkig
zijn met het nabije. Hoe minder, hoe
meer. Honderd jaren kan het duren voor
je een vlieg verstaat en je begrijpt
wat die in Gods naam tot je spreekt.
Zij wist het al, in nog geen vijftig.”
Uit de bundel: Ik geloof van Gabriel Smit



