Tussen Den Bosch en Utrecht rijden vandaag geen treinen, maar vanuit Tiel rijdt de trein rechtstreeks naar Den Bosch en dat biedt veel perspectief. Ik ga vandaag naar Den Haag, naar de Nieuwe Kerk. Die ligt dicht bij Den Haag CS, maar ook dicht bij Den Haag HS, het tweede grote station van Den Haag.
Terzijde: dat Den Haag twee grote stations heeft is een relict uit het verleden toen spoorwegen door diverse maatschappijen werden ontwikkeld en uitgebaat. Den Haag CS is gebouwd naast het voormalige station van de Nederlandsche Rhijnspoorweg Maatschappij. Den Haag HS is gebouwd door de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij, kortweg Hollands Spoor ofwel HS.
Vanaf Den Haag HS loop ik over de Stationsstraat en ik zie in de verte een torentje met daken er omheen. Is dat de Nieuwe Kerk? Jawel!
Architect
Ik ben in Den Haag voor een bijeenkomst van de Vrienden van De Witt, het besluit van het jubileumjaar voor Johan de Witt.
Voor de preekstoel ligt graf 77. Op deze plek lag het graf dat Johan de Witt op 18 november 1665 kocht. Een dag ervoor was zijn dochtertje Elisabeth overleden. Nog twee dochtertjes werden er begraven en zijn jonggestorven vrouw. En in de nacht van 21 op 22 augustus 1672 ook Johan en zijn broer Cornelis. In 1674 werd het graf nogmaals geopend om zijn hart te begraven dat in bezit van een zilversmid was. Johan had betaald tot 1736 en daarna werd het graf geruimd en de plaats aan een ander verkocht. Waar de resten van Johan en zijn familieleden zijn gebleven? In een knekelput vermoedelijk, zoals gebruikelijk was.
De Nieuwe Kerk werd gebouwd tussen 1649 en 1656 nadat de Grote of Sint Jacobskerk te klein geworden was. Aan de bouw van deze kerk gaat een hele geschiedenis vooraf en de conservator van het Haags Historisch Museum, Lex van Tilborg, neemt ons mee naar de 17e eeuw.
De gereformeerde religie had wel veel aanhangers in Den Haag, maar nou ook weer niet zoveel. Op een plaats van 12.000 inwoners gingen er 4.000 naar de gereformeerde diensten, maar de bestaande kerken (de Grote Kerk en de Kloosterkerk) konden het niet meer aan. Een nieuwe kerk moest er komen. Maar waar?
Hier, waar de kerk nu staat, was een buurt Padmoes genaamd. Het had geen al te beste reputatie -een achterbuurt-, maar het was ook een opkomende buurt. Vlakbij was het Spui, de middeleeuwse gracht waarop diverse grachten in Den Haag uitkwamen. Den Haag was inmiddels ook voorzien van een grachtengordel en hier, in de buurt van het Spui, werd een havenkwartier ontwikkeld. De straatnamen herinneren nog aan dit verleden: Amsterdamse Veerkade, Bierkade, Dunne Bierkade.
Terzijde: Padmoes komt van paddemors ofwel moerassig gebied, maar het vertoont natuurlijk ook veel overeenkomst met Patmos, het eiland waar de apostel Johannes naar verbannen werd. Bij de ingebruikname van de kerk maakte de predikant daarvan dankbaar gebruik.
Padmoes werd onteigend en bouwrijp gemaakt voor een nieuwe kerk. De Sociëteit van de Hoge Collegiën en van Den Haag besloot in 1649 tot het bouwen en de opdracht ging naar Pieter Noorwits.
Terzijde: Den Haag had in die tijd de unieke situatie dat het zowel een zelfstandige plaats was als het grafelijk en later statelijk hof huisvestte. Beiden hadden hun eigen jurisdictie en daarom werkte men samen in de Sociëteit van de Hoge Collegiën en van Den Haag.
Wie was die Pieter? Zijn vader was Aaron Hendrikszoon Noorwits die vanuit Norwich in Engeland naar Nederland was gekomen. Pieter en zijn broer Arent werden geboren in ‘s-Gravezande. Pieter noemde zich Noorwits, Arent noemde zich naar zijn geboorteplaats. Beiden werden opgeleid tot timmerman.
In 1637 ging Pieter in Den Haag wonen, waar hij met Teuntje ofwel Antonia Pietersdochter Sluyter trouwde. Pieter erfde een gruttersbedrijf en een gortmolen van zijn schoonfamilie en nam dit bedrijf ook daadwerkelijk ter hand. Ook bleef hij werkzaam als bouwkundige en aannemer.
In Den Haag werkte hij mee aan en ontwierp hij diverse gebouwen. Hij verdiende geld als vastgoedspeculant door terreinen op te kopen bij de Amsterdamse Veerkade. Kroon op zijn carrière was de functie van toezichthouder van de Rekenkamer van de Grafelijkheidsdomeinen van Holland.
Zijn bekendste ontwerp is deze Nieuwe Kerk aan het Spui in Den Haag. En wat had Pieter bedacht? Wel, dit!

De kerkzaal bestaat uit twee vierkanten van 50 Rijnlandse voet (één Rijnlandse voet is 0.3149 m), met zes vierhoekige absiden. De heersende bouwtrend voor de nieuwe protestantse kerken was centraalbouw: rond, zes- of achthoekig, maar Pieter deed het net even anders. In het smalle verbindingsstuk kwam de preekstoel en recht tegenover de ingang kwam het nieuwe orgel (pas in 1702).
De Westerkerk in Amsterdam die een 20 jaar eerder werd gebouwd diende als inspiratie. Het dubbele Griekse kruis van de Westerkerk is terug te vinden maar dan met afgeronde hoeken. De Westerkerk heeft echter nog pilaren en die belemmeren zicht en overzicht. De Nieuwe Kerk heeft een kap die de volledige kerk zonder ondersteuning overspant. De kap (gemaakt van eikenhout uit Westfalen en het huidige België) steunt op de muren én op de absiden die als steunberen fungeren. De kap werd ter plekke op de grond in elkaar gezet, van telmerken voorzien, gedemonteerd en op de kerk gemonteerd. Men was wellicht toch niet helemaal zeker van de draagkracht want de toren werd loodkleurig geverfd. Pas later werd het zware lood echt op de toren aangebracht.
Pieter werd beloond met het ambt van koster voor de kerk. Na zijn dood in 1669 werd hij begraven in ‘zijn’ kerk en kreeg zijn vrouw Teuntje het ambt van kosterin. Zij woonde naast de kerk.
Intermezzo
Sinds 1702 hangt er een Duyschot-orgel in deze kerk, waarvan het grootste deel van het pijpwerk nog origineel is. We krijgen een kwartiertje orgelmuziek voorgeschoteld en, eigenlijk wel grappig op een bijeenkomst rondom Johan de Witt, de muziek is geënt op een concert dat gegeven werd door Handel in deze kerk voor stadhouder Willem IV en zijn vrouw Anna van Hannover, de dochter van de Engelse koning en leerlinge van Handel.
Graven
Weten we wat dit is? Cultuurhistoricus Celine Oldehage toont ons een foto van stukken oud metaal. Het blijkt een wolf te zijn. Wolfen is het openen van een graf in de kerk met behulp van een metalen mechaniek. Ze vraagt ons naar de grond onder onze voeten te kijken. In iedere grafplaat zit een rechthoekig gat. Dát is waar de wolf werd bevestigd en zo kon een grafplaat worden verplaatst.

De kerkvloer was daarom niet bezet met banken of zelfs stoelen. Nee, die was helemaal leeg. Men stond tijdens de diensten, maar sommige vrouwen namen een vouwstoeltje van huis mee. Weer anderen die vooraan wilden zitten, stuurden een dienstbode vooruit met de stoel om een goede plaats te bemachtigen. Dat liep soms uit op scheld- en vechtpartijen bij en in de kerk.
Paal en perk werd hieraan gesteld door stoelenplannen te bedenken en die stoelplaatsen te verhuren compleet met stoel en stoof.
De verkoop van graven en de verhuur van stoelplaatsen, stoelen en stoven was de taak van de koster. Als koster was je facilitair manager van de kerk. In de Nieuwe Kerk werkte Pieter en later Teuntje met 15 man personeel. Plannen van de begrafenissen, graven delven, grafplaten verplaatsen of juist plaatsen, graven ruimen. En iedere dienst er voor zorgen dat alle stoelen op de juiste plekken staan én na de dienst weer zijn opgeruimd. En dan moest je ook nog verantwoording afleggen aan kerkvoogden en kerkenraad over je financiële beleid. Die inkomsten waren erg belangrijk voor het onderhoud van het gebouw.
Rouw
Jean-Marc van Tol krijgt het woord. Hij begint met het aansteken van een kaars voor de gebroeders De Witt. Een meisje uit het publiek krijgt de taak een tweede kaars aan te steken, voor Baruch of Benedictus de Spinoza, bij de plek waar hij in 1677 werd begraven.
Hebben De Witt en Spinoza elkaar ontmoet? Jean-Marc heeft daar een boeiend essay over geschreven met als antwoord: nee, maar het blijft verleidelijk om daarover na te denken.
De Witt ging in de Nieuwe Kerk regelmatig ter kerke. Spinoza woonde hier om de hoek. Maar ze vertoefden in zeer verschillende kringen die niets met elkaar te maken hadden.
En dat verhaal dat Spinoza met een plakkaat naar de Plaats wilde gaan om te protesteren tegen de lynchpartij? Kan naar het rijk der fabelen verwezen worden. Spinoza was daar de man niet naar. Eerder nog zou hij een pamflet met die strekking hebben laten drukken.
Van Tol neemt ons mee naar de avond van 20 augustus 1672. Hun zus Johanna laat de lichamen van Cornelis en Johan van hun schandpaal afhalen en overbrengen naar het huis van Teuntje, de kosterin, naast de kerk. Maria van Berckel, weduwe van Cornelis, schrijft aan Johanna dat de familie De Witt geen openlijke rouw mag tentoonspreiden. Dat zou hen duur kunnen komen te staan.
De familie wil de beide broers nog wel iets meegeven, een steen met hun wapen, maar het huis van Teuntje wordt belaagd en de steen aan gruzelementen geslagen. Een afscheid is niet meer mogelijk en ’s nachts (van 21 op 22 augustus) vindt de teraardebestelling plaats, voor de preekstoel. Geen familie, geen vrienden, geen bekenden, alleen de grafdelvers. En Teuntje, de kosterin.
Hoeveel anders was het in 1677. Spinoza leed al jaren aan tuberculose, maar dat hij op 21 februari zou overlijden, was toch wel onverwacht. Hij had nog met zijn huisbaas een pijpje (!) zitten roken en ’s middags overleed hij. Een testament had hij niet en hoe hij begraven zou willen worden was ook niet duidelijk. Wel duidelijk was dat hij niet naar Ouderkerk aan de Amstel kon, naar de Joodse begraafplaats. Immers, hij was uitgestoten uit de Joodse gemeenschap.
Vrienden van hem namen het initiatief en zo werd hij vier dagen na zijn dood met alle égards ten grave gebracht in de Nieuwe Kerk. Zes rijtuigen, een groot aantal mensen, waaronder vrienden uit Amsterdam en vrij veel ‘aanzienlijke personen’. En Teuntje.
Voor hun dood hebben ze elkaar nooit onmoet, Johan en Baruch/Benedictus. Na hun dood lagen ze op ca 10 meter van elkaar. En wellicht zijn ze na de ruiming van hun graven in dezelfde knekelput beland. Wie zal het zeggen?



