Ik moet er echt wel mal hebben uitgezien, toen ik de Ratskeller van Kalkar inliep. Alle regenkleding die ik heb, had ik aan. Overschoenen, een afrolbroek, een regenjas en daaroverheen een grote poncho. Een soort vliegende Hollander, zeg maar.

En je kunt er om lachen, maar ik was er maar wat blij mee. Vandaag ben ik op stap naar Kalkar. Dat is ca 85 km fietsen vanaf huis, afhankelijk van hoe ik ga fietsen. Maar die storm…! En code oranje aan de kust en geel in het binnenland. En aangezien stormen zich niets aantrekken van grenzen, staat de wekker op vijf uur. Om te kijken hoe de vlag er bij hangt. Het giet op dat moment maar Buienradar voorspelt dat het wellicht droog wordt, dus ik waag het erop. Ik zet de wekker op half acht en zowaar! Het is droog. Om kwart over acht fiets ik weg.

Ik heb wel mijn route aangepast. Ik wilde over de dijken, maar dat lijkt me onverstandig en dus rij ik door de polder. Langs Echteld, door Ochten, naar Dodewaard, Andelst, Herveld, Oosterhout en dan fiets ik Nijmegen in, de Waalsprong tussen Oosterhout en Lent. Bij Van der Valk in Lent stop ik even voor koffie mét.

De lucht dreigt in de verte als ik op de fiets stap naar de Waalbrug. Ook hier heb ik mijn route aangepast. Ik wilde langs de oude spoorlijn naar Kleve, maar die loopt deels door bosachtig gebied en met storm is dat misschien niet verstandig. Ik pak de route door de Ooijpolder onderlangs de stuwwal. Houdt die me ook nog een beetje uit de wind.

Tot voorbij het piepkleine dorpje Persingen blijft het droog, maar bij Zyfflich moet ik er toch aan geloven. Met de poncho aan hou ik het nog redelijk droog maar even later moet toch de afrolbroek aan. Via Mehr kom ik in Donsbrüggen en hier volg ik alsnog een stukje van de oude spoorbaan Kleve-Nijmegen.

Ik wil nog even Kleve in, maar het begint harder te regenen. Eerst maar een konditorei in voor wat eten en drinken en dan naar Haus Koekkoek.

Koekkoek? Dat klinkt heel Nederlands. En ik herinner me schoolplaten van ene Koekkoek. Maar nee, om die schilder gaat het niet, hoewel hij wel uit dezelfde familie stamt.

Aan de Koekkoekplatz staat het indrukwekkende witte Haus Koekkoek. Gebouwd in opdracht van de schilder zelf in 1848.

Barend Cornelis Koekkoek werd in 1803 in Middelburg geboren als zoon van Johannes Hermanus, een zeeschilder. In 1834 gaat hij met zijn gezin in Kleve wonen. Hij had koninklijke connecties. In 1845 mocht hij met de Nederlandse koning Willem II mee op reis naar Luxemburg en de Pruisische koning Wilhem IV bestelde schilderijen bij hem. En de adel volgde zijn voorbeeld. Dat zorgt voor voldoende inkomsten om dit riante huis te laten bouwen.

Maar wat schilderde hij dan zoal? Datgene waarom hij naar deze streek was verhuisd. Voordat hij in Kleve belandde, woonde hij een jaar in Beek, onderaan de stuwwal aan de rand van de Ooijpolder. Hier kon hij al prachtige romantische schilderijen maken, maar in Kleve en omgeving? Daar was nog veel meer moois te zien.

De oude stad met de oude kerken en de Zwanenburcht, de parken aangelegd door Johan Maurits van Nassau-Siegen (bouwer van het Mauritshuis in Den Haag), het Reichswald, de vergezichten over het glooiende en heuvelachtige landschap: dat was de romantiek waarnaar hij op zoek was.

Lees maar eens wat hij er zelf over zegt:

Naar buiten

Gaat naar buiten, bescbouwt den schoonen zilveracbtigen morgenstond, den gulde avond, een’ schoonen lente- en herfstdag, de geduchte werkingen der natuur, en storm, een opkomend of afdrijvend onweder; ook de winter heeft vele schoonheden, maar beschouwt voor alles de werking van het licht, want dat is de ziel van alles, en gij zult uwe gevoelige ziel met eenen rijkdom van schoone denkbeelden verrijken, die gij naderhand op uwe kamer op het doek of paneel kunt trachten te verwezenlijken.

Meer dan 500 schilderijen maakte B.C. en vooral beroemd werd hij om zijn boslandschappen. Er zijn ook schilders die hem navolgen en ook in Kleve komen schilderen: de Koekkoek-school. Die school wordt wel de Kleefse Romantiek genoemd. Medio 19e eeuw is Kleve de ‘hotspot’ voor Nederlandse landschapsschilders.

Ik loop op m’n gemak door de 12 zalen die het museum rijk is. Veel stukken zijn uit bruikleen, lees ik. Niet alleen B.C. hangt hier, ook werk van familieleden. Zijn vader, zijn broers, oomzeggers, zijn dochters. En van zijn schoonvader, collega’s en navolgers. Het is een aaneenschakeling van boslandschappen, prachtige vergezichten, storm of onweersbuien, soms complete fantasielandschappen, stads- en zeegezichten.

Ik kijk zo nu en dan even naar buiten en nee, dit wordt geen beter weer. Ik loop terug naar mijn fiets en trek al mijn regenkleding aan en fiets de laatste 17 km naar Kalkar. Het valt niet mee, met de dichte motregen en de harde wind, maar bij Till-Moyland wordt het ineens droog. De lucht wordt lichter en lijkt hoger en de laatste vier kilometer is het droog.

Ik reserveer snel een tafeltje bij de Ratskeller en dan op naar mijn pension. Douchen, omkleden en terug voor het eten. Het regent inmiddels weer en ik loop weer als een vliegende Hollander door de straten.


Plaats een reactie