Het waren natuurlijk ook gewoon Jan en Kees die elke dag vanaf hun ouderlijk huis in de Grotekerksbuurt naar de Latijnse school aan de Nieuwstraat liepen. Gewone jongens, maar ook regentenzonen en daarmee hadden ze een behoorlijke voorsprong op andere stadgenoten. En juist vanwege die voorsprong in de maatschappij konden beide broers in de Nederlanden van die tijd tot grote hoogte stijgen, waarbij Kees ofwel Cornelis wel wat in de schaduw van zijn jongere broer Jan ofwel Johan bleef.
Vandaag ben ik weer in Dordrecht, in het museum voor maar liefst zeven lezingen over Johan de Witt, vanuit diverse invalshoeken en expertises. Lees hier meer over dag één.
De keynote wordt gegeven door Jeroen Duindam (hoogleraar vroegmoderne geschiedenis, Universiteit Leiden) en heeft als titel ‘Keizer, Koning, Republiek: vroegmoderne gemengde constituties’. Hij neemt ons mee naar de 17e eeuw om daar eens rond te kijken. Was een koning of een keizer almachtig en absoluut? Was het wel zo zwart-wit?
Natuurlijk ligt het veel genuanceerder.
Hij legt dit uit aan de hand van de uitspraak die Lodewijk XIV in de mond is gelegd: ‘l’État, c’est moi!’. Heeft hij dat ooit gezegd? Het blijkt een mythe met een lange aanloop. In april 1655 is de koning in het Parlement en in het verslag wordt gezegd dat de koning drie woorden sprak. Welke? Geen idee. Maar in 1791 worden de woorden ‘l’État, c’est moi!’ de koning in de mond gelegd en in 1818 wordt het als een vaststaand feit geponeerd.
Terwijl Lodewijk veel minder absolutisch regeerde dan we denken. Zijn nazaten eind 18e eeuw, die wel. Maar hij regeerde toch nog samen met zijn ministers, liet hen het werk doen en alleen bij zaken die hem echt aan het hart gingen, interrumpeerde hij.
Er was sprake van een gemengde staatsvorm en ook een vorm van ‘social collaboration’ en zo heel veel verschilde dat niet van hoe de Republiek werd geregeerd.
Brieven
Lezing 1: Ineke Huysman (senior-onderzoeker, Huygens Instituut NL-Lab): ‘Johan de Witt: Een wereld in brieven’
Het feit dat Johan en Cornelis zo bruut en wreed werden gedood, betekende ook dat hij geen gelegenheid heeft gehad zijn archieven op te schonen en evt. onwelgevallige documenten te verwijderen. Na zijn dood werd zijn hele kantoor in beslag genomen en het is daardoor een schat voor onderzoekers en wetenschappers.
In totaal zijn er meer dan 25.000 brieven bekend, inkomend en uitgaand. Ook uitgaand, want hij schreef concepten die door zijn secretaris werden uitgeschreven. Diplomatie, spionage en roddels zijn hierin soms niet te onderscheiden. Hij schrijft in het Nederlands (bijna alles), maar ook in het Frans (hoftaal) en het Latijn (had hij op school geleerd). En hij schreef ook veel aan zijn familie en het kon over van alles gaan, bijvoorbeeld over muggen, zie citaat hieronder.
Gisteren sijn wij [..] gearriveert, welck gemack voor mijn broeder noch grooter soude sijn geweest indien de muggen hem des nachts niet met geheele regementen, jae met millioenen soo hij verklaert, heftichlijk hadden connen bestormen; maer wat mij aengaet, ick en hebbe in die nacht niet een van die queldieren vernomen, ende sulx den ganschen nacht over, naer gewoonte, seer gerustelijck geslaepen.
Johan aan zwager Gerard Bicker van Swieten over muggen, 16 juli 1669
Peetouders
Lezing 2: Helmer Helmers (senior-onderzoeker, Huygens Instituut NL-Lab): ‘Peetvadertje staat. De Republiek als peetouder in de tijd van Johan de Witt’
Ik heb me wel eens verwonderd over de merkwaardige namen van vier dochters van Willem van Oranje. Wie noemt zijn kinderen nou Catharina Belgica, Emilia Secunda Antwerpiana, Charlotte Brabantina en Charlotte Flandrina? En daar krijg ik vandaag antwoord op.
Een diplomatiek instrument dat ook in de Republiek onder Johan de Witt werd gehanteerd was peetouderschap van diverse adellijke kinderen. De Republiek was peetouder van de latere Frederik de Grote van Pruisen, van Catharina Belgica (zij was het eerste petekind) en zo van nog zeker 100 kinderen. Het was niet zo evident om dit te vinden, omdat er niet een boek of lijst is van deze petekinderen.
Niet iedere vraag voor peetouderschap werd door de Republiek gehonoreerd. Er moest wel een belang mee gemoeid zijn. Het kind in kwestie was vanaf de geboorte verzekerd van een jaargeld en dat kon flink oplopen. Van 500 gulden per jaar tot wel 10.000 gulden per jaar, voor de hele levensduur.
De peetouder mocht dan ook beslissen over een naam voor het kind en dan kom je aan een naam als Belgica. Er was zelfs een jongetje dat Statius heette.
De kleine Willem van Oranje, de latere Willem III, werd op enig moment Kind van Staat, maar hij was al petekind van de Republiek sinds zijn geboorte.
Kolonisator?
Lezing 3: Erik Odegard (Universiteit Leiden): ‘Raadpensionaris overzee: Johan de Witt en de koloniën, 1625-1675′
We weten allemaal dat de Republiek rijk werd van de overzeese handel, maar tijdens het bewind van De Witt was de VOC een zelfstandige entiteit die zonder overheidsbemoeienis de eigen boontjes in de Oost dopte. Zijn grootouders waren in hun tijd wel grote aandeelhouders in de VOC. De Atlantische handel had De Witt’s belangstelling, maar eigenlijk alleen als het ging om het veiligstellen van de handelsposten aan de oostkust van Afrika. De gebiedsdelen in de Amerika’s boeiden hem niet zo.
Terzijde: Het wapen van de familie is groen met linksboven een haas, onderin een brak (een jachthond die de prooi opzoekt) en rechts de hazewindhond (die de prooi vangt). En wat heeft dit met De Witt maken? Wel, wit werd in die tijd ook als doelwit opgevat.

Frans?
Lezing 4: Charles-Edouard Levillain (hoogleraar Britse geschiedenis, LARCA | Université Paris Cité): ‘Liever Frans dan prins ? Johan de Witt’s attitude to France (1662-1672)’
Deze lezing doet me de ogen ervoor openen dat Lodewijk XIV zich enorm moet hebben geërgerd aan het feit dat het prinsdom Orange in zijn land lag en dat dat niet van hem of Frankrijk was, maar van een prinsje in de Nederlanden.
Non
Lezing 5: Craig Harline (De Lamar Jensen Professor of Early Modern History, Brigham Young University): ‘Unexpected Encounters: The Rational De Witt and the Mystical Leaking Nun’
In Oirschot werd in 1644 onder bescherming van Frederik Hendrik een klein kloostertje gesticht. Stichter en abdis was Maria van Valckenisse, ook wel Maria Margaretha den Engelen genoemd. Tijdens haar leven probeerde zij zich op extreme wijze in te leven in het lijden van Christus en gelovigen zagen haar heiligheid en schreven haar vele gaven toe. Ook zou ze de stigmata hebben ontvangen.
In 1658 overleed ze, tijdens de ijskoude februarimaand. Begraven kon niet, vanwege de steenharde grond en daarom stond Maria opgebaard in de kapel. Haar lichaam zou niet tot ontbinding zijn overgegaan, ook al stond het tot juli 1658 in de kapel. Arnold Fey, chirurgijn ter plaatse, voerde een obductie uit en daarna zou zijn scalpel geneeskrachtig zijn geworden. Ook zou er geneeskrachtige olie uit haar lichaam zijn gaan vloeien die werd opgevangen en daarna werd uitgedeeld. Verkocht, denk ik maar zo. Ook nam de dokter flesjes van deze ‘olie’ mee naar zijn praktijk.
Haar lichaam werd begraven en in 1662 weer opgegraven en opgebaard en het zou nog steeds in gave toestand zijn. Lodewijk XIV verzocht om olie voor zijn dochter en dat was de druppel. De Staatse autoriteiten bevolen overbrenging naar Den Bosch, een onderzoek door katholieke en protestantse artsen. Er bleek sprake te zijn van een lichaam dat op normale wijze was ontbonden en daarna kreeg Maria eindelijk haar definitieve rustplaats, in de doopkapel van de Sint Jan van Den Bosch.
Dokter Fey had intussen een naam opgebouwd als arts die rugklachten kon verhelpen en zo zond Johan de Witt zijn drie dochters naar Oirschot om hen een corset te laten aanmeten tegen hun rugklachten. En hij verzocht om flesjes zalf. En dat kan niet anders zijn geweest dan de olie van Maria, die door dokter Fey was meegenomen naar huis.
Erfenis
Lezing 6: Marianne Eekhout (conservator geschiedenis, Dordrechts Museum): ‘Een leven na de dood. De nalatenschap van Johan de Witt’
In de tentoonstelling ligt een penning die de broers eert. Opdrachtgever is waarschijnlijk de zwager van Johan, Pieter de Graeff uit Amsterdam. Vijf jaar na hun dood werd deze penning gemaakt. Een nazaat van Maria de Witt, achterkleindochter van Johan, heeft deze ter beschikking gesteld, samen met nog veel meer artefacten.
Tijdens de afsluitende borrel heffen we het glas op Johan en even later loop ik langs de drukke Johan de Wittstraat richting station. Ik denk even terug aan de opmerking van de wethouder vanmorgen tijdens de opening. Wat zou Johan ervan gevonden hebben dat het monument te zijner ere gebruikt wordt als fietsenstalling. Een praktische en pragmatische oplossing? Of zou hij de regent hebben uitgehangen? Wie het weet mag het zeggen.

