Er was eens…
Er was eens een hertog die niet alleen de koningen in zijn familie (vader, broer en neef) tot steun was, maar ook een onverzadigbare honger had naar kunst en mooie boeken. Zijn bibliotheek was de derde in grootte van het land en bevatte de mooiste boeken die maar gemaakt konden worden. Hij betaalde dat met de opbrengsten van zijn landgoederen, maar dat was niet genoeg. Hij stak zich in de schulden en bij zijn dood was er een zwaar negatief saldo.
En een grote verzameling kunstvoorwerpen en boeken.
Er was eens…
Er was een ambachtsman die zich toelegde op het schilderen van beelden (polychromeren werd dat genoemd). Opgeleid door zijn vader en zijn oom in hun ateliers, maakte hij zich het vak van schilder eigen en hij mocht voor het hertogelijk hof in zijn stad opdrachten uitvoeren. Hij werd aanbevolen bij de achternicht van de hertogin en zo belandde hij honderden kilometers verderop aan een koninklijk hof en nog weer later aan een hertogelijk hof.
Er waren eens…
Er waren eens drie broers die in de ateliers van hun vader de beeldsnijder, hun moeder de borduurster, hun ooms de schilders en hun buurman de goudsmid werden opgeleid in alle schone kunsten die maar door hun opdrachtgevers gewenst werden.
Ze reisden als vreemdelingen naar een ver land, lieten moeder, broers en zus achter, maakten de mooiste schilderingen en stierven erg jong.
Er was eens…
Er was eens, nee, er is. Er is een boek dat zo bijzonder is, dat het nagenoeg ontoegankelijk is. Zelfs onderzoekers kunnen het niet in handen krijgen. Het wordt altijd in een mooie kist bewaard, in een kluis. Het mag het gebouw nooit verlaten en niemand krijgt het te zien. En toch weet iedereen dat het er is. En dat het heel erg mooi is.
Er is een…
Er is een kleur blauwe verf die zo mooi is, dat het bijna ongelooflijk is, een kleur die met heel veel moeite wordt gemaakt. Een kleur die in de mooie boeken van de hertog tot op de dag van vandaag schittert als toen ze door de jonge schilders op het perkament werd aangebracht.
Het klinkt als een sprookje, en net als veel sprookjes heeft het verhaal een donkere rand.
Vrijdagavond was ik naar Nijmegen afgereisd, zodat ik de volgende ochtend op tijd met de bus mee kon. Voor de derde keer dit jaar ga ik naar Frankrijk. Naar Chantilly. Naar Musée Condé. In het imposante Chateau de Chantilly.
Waarom? Omdat een paar bladen uit het prachtige boek van de hertog -dat verder nooit te zien is- tijdelijk tentoongesteld worden. Een unieke kans! Want volgende maand worden de bladen weer ingebonden, verdwijnt het boek weer in de kist en de kist in de kluis. En niemand kan er mee bij of aan.
Maar welk boek is dat dan? Wel, dat is de Très Riches Heures du Duc de Berry. Een getijdenboek (een boek met gebeden en teksten voor de diverse tijden van de dag, week en maand) besteld door Jean de Berry (de hertog) in 1410 en gedeeltelijk gemaakt door Herman, Paul en Johan van Lymborch (de drie broers).
Waarom ik dit wilde zien? In 2005 heb ik in Nijmegen de tentoonstelling bezocht waar bladen uit de Belles Riches Heures du Duc de Berry werden tentoongesteld. Ik heb me daar vergaapt aan de schoonheid van de geschilderde bladen van dit boek.
Nog weer later in hetzelfde museum heb ik delen uit de getijdenboeken van Katharina van Kleef en Maria van Gelre mogen bewonderen. Fascinerend!
En nu dit boek, dat nog mooier en nog rijker versierd is. Die kans pak ik.
De schilder
Johan Maelwael (1370-1415) woonde sinds zijn tiende in Nijmegen, aan de Burchtstraat, halverwege kerk en kasteel en in de buurt van het stadhuis. Zijn vader en zijn ooms waren schilders. Denk hierbij niet aan kunstschilders, nee, het waren ambachtslieden die voor de adel en de clerus beelden, schilden, banieren, vaandels, hoezen voor berichten etc. beschilderen met heraldische emblemen. Terzijde: daar komt het woord schilderen ook vandaan, van mensen die schilden van een embleem voorzagen.
Johan’s zus Metta was een kundig borduurster en kreeg ook opdrachten van de clerus en adel, zoals kazuifels en zadeldekken. Zij schilderde met naald en draad.
Hun buurman was goudsmit van Stockum en het straatje waaraan ze woonden heet nu naar hem.
De hertogin van Gelre, Catharina van Beieren, onderhield contacten met haar familie en dus ook met haar achternicht, Isabella van Beieren, de echtgenote van de Franse koning Karel VI.
Catharina beval Johan aan bij Isabella en in 1396 moet Johan al in Parijs zijn, omdat er dan al rekeningen zijn waarin hij genoemd wordt als ‘onze schilder die in Parijs verblijft‘.
De broers
In dezelfde omgeving als hun oom Johan groeien Herman, Paul, Johan, Rutger, Arnold en Greta op, de kinderen van Metta Maelwael en Arnold van Lymborch. (Zijn vader kwam uit Limburg aan de Weser.)
Herman en Johan werden rond 1398, na de dood van hun vader, in de leer gedaan bij een goudsmid in Parijs. Hun oom Johan, immers al in Frankrijk, zal hierbij ongetwijfeld bemiddeld hebben.
Na wat omzwervingen, o.a. om de pest te vermijden, zien we ze in 1402 als illuminatoren in Dijon. De namen Jehanequin en Polequin worden dan genoemd. Zeg maar: Jantje (14 jaar) en Polleke (16 jaar).
Hoe hun opleiding er verder ook heeft uitgezien, het blijkt dat ze uiterst kundig zijn. in hun vak.
De hertog
Jean du Berry was de zoon van koning Jan II van Frankrijk. Zijn jongere broer was Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië. Een geletterd man en een groot kunstliefhebber. Hij had een woning in Parijs en hij bouwde of kocht in zijn hertogdommen Berry en Auvergne maar liefst 17 kastelen. En die stouwde hij vol met alles wat hij maar mooi vond: klokken en munten, mozaïek en emaille, tapijten en standbeelden, relikwieën en curiosa (zoals een tand van Karel de Grote). Hij hield er een hele menagerie op na met beren, zwanen, apen en dromedarissen.
En hij verzamelde boeken! Toen hij stierf bezat hij er meer dan 300. Voor ons gevoel niet zo veel, maar voor die tijd, waarin ieder boek met de hand moest worden gekopieerd op perkamenten vellen, is dit fenomenaal.
Hij liet het ene na het andere boek bestellen, vooral getijdenboeken hadden zijn belangstelling. Hij bezat er maar liefst 15.
En de laatste die hij bestelde was het boek dat wij nu kennen als Très Riches Heures, de zeer mooie getijden.
Het boek
Even technisch: het boek in de huidige vorm telt 206 gebonden vellen van kostbaar kalfsperkament of vellum. Elke pagina meet 29 bij 21 cm, zeg maar een A4-tje. en het boek bestaat uit 31 katernen. Zo’n katern bestaat uit vier dubbelgevouwen vellen perkament, wat acht folia en zestien pagina’s per katern opleverde. Terzijde: voor één vel perkament is één dierenhuid nodig, een kalfshuid in het geval van de Très Riches Heures.
Aan het maken van het boek ging heel veel denk- en rekenwerk vooraf. Welke tekst moet er in, hoeveel kolommen zijn daarvoor nodig, aftekenen van de schrijflijnen op de katernen, ruimte laten voor beginkapitalen en de tekeningen.
Herman, Johan en Paul werkten echt niet alleen aan zo’n boek. Er waren specialisten die de randen versierden en overgebleven ruimtes decoreerden. Er waren miniaturisten die de begininitialen schilderden. De kopiïsten schreven de teksten. Daarom was het ook handig dat er katernen waren. Zo konden tegelijktertijd veel mensen aan het boek werken.
De hertog had voor dit boek zelf bedacht wat hij erin wilde hebben en heel bijzonder is dat het afwijkt van wat normaal in een getijdenboek stond. Hij gaf opdracht voor een volledige kalender, met zonnestanden, sterrebeelden en afbeeldingen van een paar van zijn kastelen en ook van hemzelf, bijv. tijdens een nieuwjaarsfeest en een jachtpartij.
Heel uniek toen. Voor het eerst werd de afbeelding even belangrijk als de tekst.
Blauw
De kalenderbladen zijn iconisch geworden. Het boek is weliswaar niet in te zien, maar als je op internet rondstruint kun je te kust en keur de kalenderbladen bewonderen. Je kunt inzoomen en alle details bewonderen.
Maar wat het meest opvalt aan de bladen is de intense kleur blauw van de lucht en het halfronde datumveld.
Deze kleur blauw is gemaakt van de halfedelsteen lapis lazuli. Deze steen komt uit Afghanistan, was op enig moment duurder dan goud en het kost heel veel tijd en moeite om uit de fijngewreven steen met eieren en lijnolie verfstof te maken.
De hertog wilde echt het mooiste van het mooiste hebben.
En dat kreeg hij…. niet.
Want het verhaal neemt een donkere wending. Het is begin 15e eeuw en de pest waart weer eens door het land. Johan Maelwael sterft in maart 1415, Jean de Berry in juni 1416 en de drie broers ietsjes later ook in 1416. Het boek komt nooit af, de hertog heeft het nooit in handen kunnen hebben.
Een aantal jaren later hebben collega-schilders wel de schilderingen verder uitgewerkt op basis van de ondertekening maar het verschil in subtiliteit is meer dan duidelijk.
Musée Condé
In de 19e eeuw komt Henry van Orléans, de hertog van Aumaele, vijfde zoon van koning Lodewijk Filips I van Frankrijk en één van de grootste kunstverzamelaars van zijn tijd, het boek op het spoor. Omdat het een link is met zijn voorvaderen, koopt hij het boek en hij laat er een kist voor maken.
Na zijn dood laat hij zijn Chateau de Chantilly (door hem deels herbouwd) na aan de staat met als nadrukkelijke voorwaarde dat niets het kasteel mag verlaten en ook niet in bruikleen mag worden gegeven. En zo geschiedde.
Alleen nu het boek is gerestaureerd heeft men er toch een tentoonstelling rondom georganiseerd. De bladen hebben wel het kasteel verlaten, maar niet het terrein. Ze worden tentoongesteld in de hal waarin ooit jeu de paume werd gespeeld.
En daar mogen wij vandaag een kijkje nemen en ons vergapen aan alle moois.
Weetjes
* Perkament is een dun papierachtig materiaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels. Perkament is naar de stad Pergamon uit de klassieke oudheid genoemd, in het huidige Turkije. Het is daar niet uitgevonden, maar wel verbeterd. Bron Wikipedia.
* Boekverluchting of illuminatie is de kunst of het ambacht van het verlichten of verluchten van handschriften met bladgoud of zilver. Bron Wikipedia
* Het woord miniatuur komt van het Latijn ‘miniare’ en dat betekende schrijven met ‘minium’, een rood loodoxide dat gebruikt werd om hoofdletters te kleuren in vroege handschriften. Ons woordje menie (als in rode menie) is hier ook vanaf geleid. ‘Miniatuur’ heeft dus oorspronkelijk niets te maken met iets kleins. Die betekenis kreeg het pas later. Bron Wikipedia








