Nee, zachtzinnig ging het er niet aan toe bij het opleggen van strafmaatregelen aan bendes die door Nederland en dus ook de Betuwe waarden in de 17e eeuw. Ik wilde schrijven ongeregelde bendes, maar dat waren het nu juist niet. Met veelal oud-militairen aan de leiding was er wel degelijk sprake van een behoorlijke organisatiegraad. Trouwens, deze bendes zelf gingen ook niet zachtzinnig te werk.

Ik ben vanavond in Geldermalsen voor een lezing met de titel -hou je vast- ‘Opsporing, aanhouding en berechting van heidenen, vagebonden en booswichten 1716-1725‘. En ja, dat is leuk (volgens mij) en zeker wetenswaardig.

Bendevorming
We praten over de periode net na een roerige eeuw, vol oorlogsgeweld. De Opstand (de 80-jarige oorlog) en de Dertigjarige Oorlog waren in 1648 beëindigd en de Hollandse of Frans-Nederlandse oorlog (1672-1679) was voorbij.
De inwoners van de Nederlanden konden makkelijker door het land reizen, zonder oorlogsdreiging. Maar er waren in die tijd geen staande legers. Ze bestonden grotendeels uit huurlingen, mannen en jongens die overal en nergens werden geronseld en meegingen met hun bevelhebbers, die soms deserteerden en soms ook werden afgedankt.

En deze mannen en jongens, in het leger niet meer welkom, ver van huis en haard, vormden losvaste groepen, bendes. Zonder werk aan de kost komen viel niet mee en daarom werd teruggevallen op bedelen, diefstal en inbraken en daarbij vielen van tijd tot tijd doden, want men ging niet zachtzinnig te werk.

De spreker van vanavond, Van Maren, een oud-politieman, heeft zich verdiept in de bendevorming in de Tieler- en Bommelerwaarden en een stuk van Noord-Brabant bij Loon op Zand en Drunen in het begin van de 18e eeuw. Hij vond zelfs een link met verre voorouders van hem.

Straffen
Al in de 16e eeuw, onder keizer Karel V, destijds ook Hertog van Gelre, vaardigde het hertogdom plakkaten (verordeningen) uit tegen ‘heydens’ ofwel zigeuners, zoals 1544. Werden ze gespot, dan moesten binnen twee dagen Gelderland verlaten hebben, of straf ondergaan.
In 1554 werd een plakkaat uitgevaardigd tegen ‘bedelaers, ledichgangers, straatschenders en andere onnutte menschen‘ vanwege bedelen, dreigen, stelen en brandschatten. Straf? De doodstraf, maar de keizer liet dat omzetten naar levenslange plaatsing op de galeien. Als koning van Spanje had hij de nodige oorlogsschepen in de vaart, waarvan velen niet alleen door de wind werden voortbewogen, maar ook door tientallen roeiers. De ter dood veroordeelden kon hij daar goed voor gebruiken.
Fun fact: het woord galei is net als het woord jol afgeleid van de gelias, een snel, klein type vaartuig dat in de Rode Zee en langs de kusten van Zuid-Azië werd gebruikt.

Een bijzondere straf die in die tijd nog werd gehanteerd was dobbelen op het leven. Een groep werd gezamenlijk veroordeeld en moest vervolgens loten wie van hen zou moeten hangen. Soms werd er letterlijk gedobbeld zoals je op de afbeelding hieronder kunt zien. Wie van de twee moet hangen?
Deze gewoonte gaat terug op de Romeinse tijd. Dan werd een cohort bestraft met de dood van de tiende man. In groepjes van 10 moest men dan loten of dobbelen om de dood van één van hen. Hier komt ons woord ‘decimeren’ vandaan.

Kampementen
Bij Vuren in een uiterwaard of een rijswaard hield zich een hele grote bende op, in een kampement ‘militari modo’, ofwel gemodelleerd naar een militair kamp. Rechte paden, met tenten en hutten erlangs en de commandant in het midden. Dit kamp herbergde wel 100 personen. En als je dan rekent dat de omliggende dorpen vaak niet meer dan 400 tot 1000 inwoners hadden, dan wordt wel duidelijk dat zo’n bende flink overlast kon veroorzaken.

De Bendes van de Witte Veer en de Zwarte Veer hielden zich bij de grens met Staats-Brabant, maar ook in de omgeving van Geldermalsen en Meteren woonden bendes voor kortere of langere tijd.

Kleurrijk
Het waren uiterst kleurrijke figuren. Als ex-soldaten droegen ze oude legeruniformen. Zo liep kapitein Ariën Philipse in een blauwe jas, een rode broek en een rood vest met zilveren versierselen en kapitein Jan Frederick Hoffnonck in blauw met zilveren knopen.
Maar ook figuurlijk waren ze kleurrijk.
In 1707 werd in Beesd een opsporingsbevel uitgevaardigd voor Cleijn Jantje, zoon van Oude Ekster. Zijn halfoom was Kapitein Willem en zijn zusje was Jonge Ekster.
Veel bendeleden hadden bijnamen, soms zelfs meerdere. Kalfje, Donis, Rijckhoud of Jencke, Nack, Piero, Hondje, Anthonetske, Geggele, Probense, Blommerantje, Phochele Heijn of Phocletsie en Swarte Johannes.

Zoals uit de bijnamen al blijkt waren er niet alleen mannen lid van deze bendes, maar ook vrouwen. De bendes waren behoorlijk goed georganiseerd en zouden heden ten dage volledig vallen onder de moderne noemer ‘criminele organisatie’.
Het doel was plegen van misdrijven, er was een structuur en een samenwerkingsverband voor de langere termijn, er was een leider én een plaatsvervanger, er waren verkenners en er waren bodes.
De vrouwen werden ondermeer als verkenners ingezet. Zij gingen langs de deuren met handelswaar of om de toekomst te voorspellen, terwijl ze ondertussen de situatie opnamen. Viel er wat te halen? En zo ja, wat en hoe makkelijk was dat te pakken te krijgen.

Straffen
Dit alles werd natuurlijk niet onbestraft gelaten. En ook daarvan krijgen we (soms gruwelijke) voorbeelden te horen.
Swarte Johannes, borgemeester van de bende van de Witte Veer, werd in 1725 in Loon op Zand aangehouden. Hij gaf aan Pieter Willems te zijn maar nog weer later dat hij Johannes heette en in Elspeet was gedoopt. De spreker van vanavond is het gelukt zijn doopceel te lichten. In het doopboek van Elspeet wordt vermeld dat Johannes, het zoontje van Goris Gerrits op 30 januari 1687 is gedoopt. Zijn vader is van het ‘geslacht die men heydens noemt‘, een zigeuner dus.
Swarte Johannes had zeker vier vrouwen en hiervan is bekend dat de onderlinge verhoudingen op scherp konden staan. Teresia of Blommerandje was zijn jongste aanwinst met haar 22 jaar, en zij vloog één van de andere vrouwen aan met een mes.
Johannes werd verhoord zonder banden van ijzer (dus niet gemarteld) en bekende 60 diefstallen en inbraken. Hij werd veroordeeld en opgehangen.

En dat is dan redelijk mild te noemen.
Er is een verschil in strafmaat, krijgen we te horen, ook afhankelijk van de plaats van rechtspleging. In Zaltbommel op 19 november 1725 werden een man en een vrouw half gewurgd (al enigszins buiten bewustzijn), geradbraakt en onthoofd, en drie anderen geradbraakt en onthoofd terwijl ze moesten toekijken hoe de anderen werden geëxecuteerd. Op 22 november 1725 werd een bendelid opgehangen en drie anderen werden zonder vorm van proces gedood. Ook dat kon.
Op 20 november 1725 werden in de Neder-Betuwe drie mannen opgehangen.

Helers werden ook bestraft met geseling, brandmerken en verbanning. Maar van het kasteleinsechtpaar van de herberg Nieuwe Brug bij de Zeekade, is helemaal geen veroordeling bekend, terwijl zij niet alleen helers waren, maar zelfs actief de bendes hielpen.

Nog wat feiten over de straffen.
* Verbanning was een lastige straf. De rechtsgebieden in de Nederlanden waren klein. Was je verbannen in het ene gebied, dan ging je soms maar enkele tientallen meters verderop opnieuw beginnen, in een ander rechtsgebied. Soms hoefde je maar een sloot over te steken.
* Vernedering was ook onderdeel van de straf. Soms werden mensen met een koord om de nek gegeseld en gebrandmerkt en daarna verbannen. Het koord was een waarschuwing. De volgende keer kom je er niet zo makkelijk vanaf.
* Een executie vond plaats op het marktplein en niet op het galgenveld. Na de executie werd iemand versleept naar het galgenveld (op een mat achter een paard) en daar tentoongesteld. Gehangenen werden aan een ijzeren ketting opnieuw opgehangen, geradbraakten werden op een rad gehesen met hun hoofd op een pin ernaast.

Het waren andere tijden, zullen we maar zeggen.

Scherprechter
Al die executies en straffen werden uitgevoerd door een beul ofwel een scherprechter: hij die met het scherp van het zwaard het recht voltrekt. De beul die in Zaltbommel in november 1725 aan het werk was, werd hiervoor goed betaald. 800 guldens kreeg Henricus Cahlee. Hij bezat dan ook een huis op de Markt in Arnhem. Hij was in functie van 1700-1754 en de zoon van de vorige Gelderse scherprechter. Hij werd per handeling betaald. Rad klaarmaken, zoveel. Roede maken, zoveel. Ophangen, zoveel. Etc. ect.
Niet iedere stad of hoge heerlijkheid had een eigen beul in dienst en er kon dan een beroep gedaan worden op de provinciale beul. En als een beul niet genoeg werk had, oefende hij het vak van chirurgijn uit.
Terzijde: we komen te weten dat ook vrouwen beul konden zijn. Anna van Gelder werd in 1711 beul te Kampen na het overlijden van haar man, de beul Hans Jurjen Snijder. Kleindochter Anna Catrina Snijder volgde in 1776 haar man Andries van Anholt op als beul in Zutphen. Trouwens, het woordje beul heeft zich ontwikkeld uit een Middelnederlands woord voor bode in de zin van gerechtsdienaar (bōdel of boele).

Luchtig einde
Na een avond vol misdaad en straf, eindigt Van Maren met een luchtige tip. In Loon op Zand en omgeving kun je fietsen en wandelen in het spoor van de bende van de Witte Veer. En er zijn speciaalbiertjes op de markt met namen van bendeleden.


Plaats een reactie