Stomme of zwijgende film. Drie keer had ik zo’n film gezien, jaren geleden alweer, terwijl er op het kerkorgel door de organist werd geïmproviseerd: ‘Joan of Arc’, ‘The hunchback of the Notre Dame’ en ‘Metropolis‘.
Vanavond ga ik naar ‘Modern Times‘, een film uit 1936, de laatste zwijgende film van Charlie Chaplin en ook de laatste film waarin zijn karakter ‘the tramp’ ofwel de zwerver de hoofdrol speelt.
Wat is een stomme of zwijgende film?
In het begin van de film kon alleen een beeldsignaal worden overgebracht. Geluid kon wel worden opgenomen, maar dit synchroon afspelen met de bijbehorende film was een uitdaging. Pas vanaf 1927 was synchroon afspelen van geluid en beeld mogelijk.
Het gemis aan geluid werd deels opgevangen door beelden met tekst die de situatie verklaarden. Ondertiteling was ook nog niet mogelijk, dus werden ook tussentitels gebruikt: een beeldvullende verklaring van wat er gezegd werd.
Soms werd een explicateur ingezet, een persoon die zei wat er gezegd werd en de begeleidende geluiden maakte. Dat was een vak op zich. Werd een auto aangeslingerd, dat maakte de explicateur geluid met een ratel. Viel er iets? Dan sloeg hij met een stok op een tafel, de slapstick. En zo werd uiteindelijk ook deze categorie films genoemd, een soort komedie waarin lichamelijk actie de hoofdrol speelt en grappige situaties elkaar snel opvolgen.
Het gebrek aan geluid kon ook worden opgevangen door een pianist of een klein orkest dat muziek bij de film maakte. Goedkoper was een theaterorgel of bioscooporgel. Niet alleen kon er muziek gemaakt worden door slechts één persoon, maar er waren ook speciale geluiden voorhanden op een speciaal speelbord. Zoals een claxon, een stoomfluit, een sirene.
Vanavond is in de Maartenskerk van Zaltbommel een groot scherm neergezet, onder het orgel. Geerten Liefting heeft meerdere malen de film van voor tot achter bekeken, een schema gemaakt van welke themaatjes waar te spelen, welke registers nodig zijn en hij zal live de film van muziek voorzien, zoals in vroeger tijden.
Modern Times
Charlie Chaplin was eind 40, in 1936. De stomme of zwijgende film was passé. Nu het mogelijk was om geluid en beeld tegelijk af te spelen was er voor de acteerstijl van de zwijgende film (door lichaamstaal en gezichtsuitdrukking gevoelens en situaties overbrengen) geen plaats meer. Toch maakte hij in 1936 nog een laatste zwijgende film, tegelijk ook de laatste met zijn karakter ‘de zwerver’.
Het is een film met twee gezichten, vind ik. Van tijd tot tijd golft gegrinnik, ook van mij, door de kerk. Sommige mensen hebben de grootste moeite om niet de slappe lach te krijgen. En dat is toch knap voor een film van bijna 90 jaar oud en met publiek dat verwend is met digitaal bewegend beeld.
Het komische gestuntel van de zwerver, met zijn overmaatse dwarse schoenen, kleine bolhoedje, te krappe jas, te wijde broek en een vrijwel continu verbaasd gezicht, is ook echt lachwekkend.
Toch heeft de film wel degelijk een tweede kant. De zwerver probeert zich staande te houden in een wereld die meer en meer geautomatiseerd wordt, die steeds mechanischer wordt, waar een mens letterlijk verwordt tot een onderdeel van de grote machinerie.
Het is een aanklacht tegen de maatschappij, ook als ingezoomd wordt op de tweede verhaallijn van een meisje dat met haar vader en zusjes de depressie probeert te overleven. Na de dood van haar vader gaan haar zusjes naar een weeshuis. Zij ontsnapt en probeert zich in leven te houden met diefstal en her en der een baantje.
Net als trouwens de zwerver, die door allerlei ongelukjes een draaideurcrimineel lijkt te worden. Heeft hij een baantje, gebeurt er weer wat. Is hij vrij, oeps, loopt hij ineens voorop in een demonstratie. En hupla, weer het gevang in.
Maar dan ontmoeten ze elkaar en krijgen ze hoop. Een schuur is hun huisje, beiden krijgen een baantje in hetzelfde café. Maar helaas is dit van korte duur. Ze weten toch uit de handen van de overheid te blijven, vatten nieuwe moed en lopen vervolgens samen de toekomst tegemoet.
En weet je wat nou het leuke van deze avond was? Dat de orgelmuziek nauwelijks opviel. Het paste naadloos onder of over de film, hoe je het ook maar wilt noemen. Het hoorde er ‘gewoon’ bij. En dat is de kunst van een goed improvisator.


