Eenmaal van de snelweg af, is het van verkeerslicht naar verkeerslicht pruttelen, dan worden de straten smaller en steiler en de bus wurmt zich er doorheen. Dan de oprijlaan naar de abij, bestraat met grote blokken natuursteen, poort aan het eind. Of we maar willen uitstappen. De chauffeur gaat later wel kijken of hij de bus kan keren. En zo lopen we met de groep het abdijterrein op.
Abdij Vlierbeek
In 1125 schenkt Godfried met de baard een stuk grond aan de Vlierbeek aan de benedictijnenabdij van Afligem. Van die eerste abdij is niets meer over. In 1572 wordt het compleet verwoest door de troepen van Willem van Oranje. Vanaf 1642 keren de monniken terug en wordt het complex stukje bij beetje herbouwd. In 1776 wordt een compleet nieuwe abdij ontworpen waarvan alleen kerk en abtswoning worden gebouwd. En die kerk, daar staan we nu voor. Een streng uitziend en heel hoog gebouw van grote grijze steenblokken.
Ik ben vandaag op pad met de club van Limburgse orgelliefhebbers en we laten ons vandaag vermaken in Leuven en omgeving. En zo staan we bij de vroegere abdijkerk in Vlierbeek. Sinds 1830 is de kerk de parochiekerk van Kessel-Lo, de gemeente waar Vlierbeek onder valt.
Het grijze en strenge uiterlijk van de kerk valt helemaal weg, als ik binnenstap. Alles is wit en rond. Ovale ramen, wit stukwerk, een grote witte vieringkoepel. Duidelijk is te zien dat de kerk is ingericht voor een kloostergemeenschap. Het koor is heel groot en van een schip is geen sprake. Het transept is gelijk ook het schipgedeelte. Maar we komen natuurlijk voor het orgel.
Het vroeg 18e eeuwse orgel van Le Picard is speciaal voor de abdij besteld. Le Picard had zijn atelier in Luik en hij bouwde zowel kleine als monumentale orgels volgens de Franse traditie. Het heeft enige aanpassingen achter de rug maar in 2006 is het gereconstrueerd naar de situatie van 1737.
Luc Ponet, o.a. stadsorganist van Leuven, is onze gastheer vandaag. Hij vertelt dat de Luikse traditie zeer invloedrijk was, ook in de 17e eeuw. Het bisdom Luik besloeg immers een groot deel van de Zuidelijke Nederlanden en het huidige België en daardoor reikte de invloed van Luikse orgelbouwers verder dan eigen stad en streek. Vandaar het thema van dit concert: ‘L’esthétique Liégeoise’.
Luc is onlangs gepromoveerd op o.a. het Tongers Orgelboek uit 1626. Het mag dan ook niet verbazen dat hij daarmee begint. Het orgel is klein, mooi van uiterlijk, en prachtig van klank. Verfijnd, eigenlijk. Ponet speelt ook uit het Liber Fratrum Cruciferorm Leodiensium (boek van de Leuvense Kruisheren uit 1618) en uit het Livre d’orgue de Lambert Chaumont (1696). Muziek dus uit de tijd van ver voor dit orgel werd gebouwd, maar die hierop perfect klinkt.
Kapel De Romaanse Poort
Tijd om de bus op te zoeken, die pal voor de kerk blijkt te staan. De oude poort was dus breed genoeg! Op naar hartje Leuven. We worden verwacht bij Kapel de Romaanse Poort. Ik wist niet goed wat te verwachten, maar het blijkt dat we bij het cultureel centrum van Leuven zijn, een merkwaardig gebouwencompex met een moderne concertzaal vastgeplakt aan de 15e eeuwse kapel van het Elisabeth Gasthuis dat hier ooit stond. Van het in oorsprong 11e eeuwse gasthuis rest naast de kapel alleen nog de Romaanse Poort uit 1218-1222, nu de toegangspoort van het Cultureel Centrum.
De kapel wordt gebruikt als ontvangstruimte voor de concertzaal, maar er worden ook concerten gegeven o.a. op het Van Peteghem-orgel, in 1828 gebouwd voor deze kapel.
Luc speelt voor ons onder het motto: ‘Leuvense muziek uit de 18de eeuw’. Allemaal mij onbekende muziek en idem componisten. Ik noem Matthias Vanden Gheyn, Petrus Paepen, Christianus Vander Borght en C.F. van Meert. Allen hadden een band met Leuven. Hij speelt ook nog een thema met prachtige variaties, heel toepasselijk Cecilia geheten naar de patrones van de muziek, maar de componist is in de nevelen van de geschiedenis verdwenen.
Collegiale Sint-Pieterskerk
Een korte wandeling en we zijn bij het schitterende Leuvense stadhuis. Dit stadhuis uit het midden van de 15e eeuw is één van de bekendste gotische stadhuizen ter wereld. Je kunt uren met je hoofd in de nek naar de gevels kijken. Als een stripverhaal staan daar allerlei beelden uit de bijbel en de geschiedenis opgesteld.
Maar we gaan eerst lunchen, bij Notra Dame-Quasimodo.
En dan steken we de straat over naar de Collegiale Sint-Pieterskerk. Dat collegiaal betekent dat het een kapittelkerk was, waaraan een kapittel van seculiere kanunikken verbonden was. Omdat voor die kanunikken een plaats in het koor gereserveerd werd, hebben collegiale kerken een groter priesterkoor dan andere kerken.
De grote kerk is van binnen heel licht en heel hoog. Alleen bij een kapel is nog iets terug te zien van de vroegere beschilderingen. Er staat een naturalistische preekstoel, met levensechte afbeeldingen van mensen en dieren, waaronder een paard en twee wuivende palmbomen. Maar ik zie geen orgel. Links niet, rechts niet, maar dan zie ik het. Vlakbij de hoofdingang in een kapel. Een grote ronde vorm, vrij losstaande pijpen, een grote speeltafel ernaast, achter het orgel zie ik grote houten pijpen en als ik ga zitten, zie ik in het orgel twee zwelwerken zitten. Wat een merkwaardig ding?
Luc vertelt dat het vorige orgel van de Sint Pieter het oudst bespeelbare orgel van de Nederlanden was, tot een Engelse piloot in 1944 besloot bommen op de kerken van Leuven te laten vallen. Niet alles was raak, maar de Sint Pieter verloor o.a. zijn kostbare Crinon-orgel.
Het orgel dat er nu staat, is van de hand van Delmotte, gebouwd in 1935 voor de Wereldtentoonstelling. Na de tentoonstelling kwam het in Oostende te staan, ten huize van prins Karel, de broer van koning Leopold III. De parochie van Sint Pieter kocht het orgel en schonk het ter gelegenheid van een ambtsjubileum van een oud-deken. Een grootscheepse restauratie met uitbreiding van vooral het pedaal was in 2020 gereed.
Luc heeft een thema bedacht rondom blinde organisten/componisten: ‘Ombre et lumière’. Hij is nl. erg onder de indruk van het ‘joie de vivre’ dat uit deze stukken spreekt en zegt dan ook dat hij nu ‘veel lawaai gaat maken’. Nou, dat valt best mee, maar dat ‘joie de vivre’ komt wel degelijk over het voetlicht. Een toccata van Plum, een incantation van Langlais, drie stukken van Barras en de finale van Vierne’s eerste.
Sint-Michielskerk
Als ik voor de kerk sta, denk ik: dit moet een Jezuïetenkerk zijn, en ja hoor, dat klopt. Groot, rechthoekig, met een hoog oprijzende voorgevel, bijna een soort kuif. De kerk heet nu Sint Michiel omdat de parochie van Sint Michiel sinds 1778 gebruik maakt van deze kerk, nadat de Jezuïeten in 1773 waren vertrokken.
Het LePicard-orgel van deze kerk werd ook slachtoffer van het bombardement van Leuven, maar nu heeft het weer een orgel, eentje met een verhaal: het Contius-orgel. Initiatiefnemers: een groep Belgische burgers. Bach had een voorliefde voor Contius-orgels en men wilde een orgel in die stijl. Er is nog één Contius-orgel uit 1744 in Letland en op basis hiervan en archiefonderzoek is dit orgel gebouwd. En zo staat hier een 1,2 miljoen euro kostend gloednieuw orgel.
En wat speel je dan op een Bach-orgel? Je raadt het al: ‘Bach ist Anfang und Ende!’
Luc speelt twee stukken van Bach, van de jonge Bach Concert in C majeur en van de oude Bach Fantasie en Fuga in G mineur, van Bach’s leermeester Böhm het schitterende Vater unser en van Bach’s leerling Krebs het vrolijke ‘Freu dich sehr, o meine Seele’.
Elsloo
De volle dag is nog niet ten einde, maar gelukkig hebben we nog een korte busreis om even bij te komen. In Kasteel Elsloo wordt het diner geserveerd en dan ga ik de trap op naar de Sint Augustinus. Daar is vanavond nog een concert van orgel en sopraan. Een grote variëteit aan componisten en stijlen komt voorbij met Bach, Händel en Mozart, maar ook Franck, Ravel en Hahn.
Door de donkerende avond fiets ik als een zeer tevreden mens terug naar Geulle.












