Ik loop de Stevenskerk van Nijmegen binnen en als altijd krijg ik het gevoel een schilderij van Saenredam binnen te lopen. De lichte muren en pilaren, de hoogte, de ramen waardoor het mooie avondlicht naar binnen valt.
Vanmorgen zag ik twee echte Saenredams, een schilderij en een tekening. En een echte Frans Hals, een Van Mierevelt, een Potter, een Van Ruysdael, maar liefst vier echte Rembrandts.

Ik was vanmorgen afgereisd naar Amsterdam. Ik had een bezoek aangevraagd bij de Collectie Six aan de Amstel. En zo zit ik om half 11 op een terrasje tegenover de Waag in Amsterdam. Ik doe dit met opzet. Rembrandt was hier kind aan huis, omdat het Lucas-gilde (van de schilders) hier zijn stek had én dokter Nicolaas Tulp werkte hier in het Theatrum Anatomicum. En Rembrandt en Tulp hebben weer alles te maken met Six.

Om half 12 start de rondleiding van een uur over de bel-etage van het huis aan de Amstel. Wel leuk om even te lezen wat monumenten.nl over dit pand schrijft.

Museum Six. Dubbelhuis (1662/68, verbouwd XVIIIb), met gave gevel (XVIIIb) onder rechte lijst met consoles en twee dakkapellen en een schilddak met twee schoorstenen. Gebeeldhouwde dubbele stoep, acht flesbalusters, ingangspartij, deur en snijraam uit bouwtijd. Goede latere roedenverdeling. Stucgang en -trappenhuis; van elders overgebrachte interieurs, o.a. Lod XVI voorkamer.

We mogen binnenkomen, onze tas in de garderobe achterlaten en naar de wachtruimte gaan. De kasten staan vol met kleine spullen uit de collectie. Ik zie drie kinderschoentjes, in de garderobe hangt een rode jas met goudkleurige Brandebourgs die me bekend voorkomt. Tuurlijk is het niet de orginele jas, maar een leuke touch is het wel.

De familie Six
De eerste bekende Six is Guillaume die lakenverver is in Armentiers en Rijsel. Zoon Charles, schepen in Sint-Omaars en ook lakenverver, vestigt zich in 1586 in Amsterdam. Hij komt hier wonen vanwege zijn protestantse geloof dat in Frankrijk niet wordt gedoogd. Hij heeft drie kinderen, zoon Guillaume, stamvader van de familietak Six van Oterleek, dochter Chretienne die astronoom Mulerius huwt (Mulerius is rector van de Groninger Academie en afkomstig uit Brugge) en zoon Jean, stamvader van de tak Six van Hillegom.
De Collectie Six is van die laatste tak. Of liever, was van die laatste tak.

Jan
Jean kreeg een zoon Jehan of Jan, geboren in 1618, gedoopt in de Waalse Kerk. Hij studeerde vrije kunsten en rechtsgeleerdheid in Leiden. Slechts eenmaal werd hij burgemeester. Hij was bevriend met en beschermer van Vondel en Rembrandt.
Meer dan bestuurder of handelsman, was Jan filosoof en kunstverzamelaar.
In de tak Six van Oterleek kreeg de oudste zoon van de oudste zoon de naam Guillaume of Willem. In deze tak de naam Jan.
Jan V overleed zonder kinderen en toen versprong de tak opzij naar broer Hendrik Six en zo zijn we aanbeland bij Jan XI. Die woont hier trouwens niet, wel zijn broer Bas (Hendrik Sebastiaan).

Huis
Het huis is niet het originele Six-huis. Jan I woonde met zijn moeder aan de Kloverniersburgwal en later aan de Herengracht. Nog weer later woonde de familie aan de Vijzelgracht maar vanwege verbreding werd hun huis gesloopt en kregen ze dit pand aangeboden. Hier woont de familie sinds 1915. Het huis is nu eigendom van de staat.

Collectie
Net als het huis is ook de collectie eigendom van de staat met als voorwaarde dat het publiek toegang kan krijgen.
Waaruit bestaat deze collectie? Nou, uit werkelijk van alles. Kleine zilveren drankspelletjes, Hansjes-in-de-kelder (geboorteaankondigingen), borden, schalen, glazen, banken, stoelen, archieven (lees het boek van Geert Mak). Goudleerbehang van everzwijnleer. Een stucplafond meegenomen uit het huis aan de Vijzelgracht.
Ook de aangetrouwde families (Tulp, Hop, Van Winter, Teding van Berkhout, Bosch Reitz en Van Styrum) brachten hun eigen collectie(delen) in of kochten deze aan.

Maar het meest in het oog springend zijn de vele schilderijen. Op nagenoeg elke muur hangen ze. Soms maar één, zoals het metershoge ruiterportret van Diederik Tulp (zoon van Nicolaas) dat een hele wand beslaat, soms heel klein zoals het medaillon van baby Jan Six VI.
Bijzonder is dat sommige op de schilderijen afgebeelde zaken, in levende lijve kunnen worden bekeken. Zoals een paar schitterende geborduurde handschoenmanchetten. Of de bierpul van Jan VII.

En natuurlijk die Rembrandts. We krijgen een ets met etsplaat en voorstudie te zien. Jan I is afgebeeld terwijl hij ontspannen lezend tegen een vensterbank leunt. In de voorkamer hangen de portretten van Jan I en zijn moeder Anna Wymer. Twee totaal verschillende portretten: Anna is geschilderd zoals men dat toen wenste. Alles is tot in detail te zien. Tegenover haar kijkt Jan ons aan terwijl hij zijn handschoenen uittrekt, de jas met de Brandebourgs losjes over de schouder. Heel impressionistisch geschilderd, maar zo levensecht. Alsof hij wil vragen wat wij hier doen, zo op een dinsdagochtend in zijn huis.

Amsterdam
Ik loop de Amstel af en zie een rondvaartbootsteiger. Weet je wat? Dat heb ik nou nog nooit gedaan, een rondvaart door de Amsterdamse grachten. Afvaart is binnen 10 minuten, en zo vaar ik met een heel klein groepje (joepie) door Amsterdam, dat vanaf het water toch weer een andere indruk maakt. We varen een rondje en door de Haarlemmersluizen langs het station komen we op het IJ. Langs de Antoniesluis weer terug de stad in.
Ik besluit de wandeling van de podcast Het verhaal van Nederland te gaan wandelen en moet daarvoor naar het station. Aan de Nes ga ik snel even wat eten en dan op pad.

Ik ga proberen iets te vinden van die wereldstad in opkomst uit de tijd dat Charles Six hier kwam wonen in 1586. Het was de tijd van de Opstand (de 80 jarige oorlog), maar ook werd het de Gouden Eeuw.
De stad groeide in die tijd van 25.000 inwoners naar 200.000. Dat bracht spanningen mee, uiteraard. Vooral op het gebied van woningbouw. Ik loop over de Oostelijke Eilanden en door de Lastage.
De Lastage was een bedrijfsterrein, in de 15e eeuw de plaats waar schepen van ballast werden voorzien (lastaedse = ballast) en in de 16e eeuw het industrie- en havengebied van de stad.
De Kromboomssloot was een voormalige wetering door dit gebied en de Rechtboomssloot een sloot, gegraven in opdracht van en beide vernoemd naar Cornelis Boom, eigenaar van een touwslagerij, een van de vele die hier gevestigd waren.

Ik loop door de grote 19e eeuwse toegangspoort naar het immense Entrepotdok, een straat en gracht met daarlangs een lange rij 18e eeuwse pakhuizen, nu verbouwd tot appartementen, maar ooit bedoeld als verzegelde opslagplaats van douanegoederen.
Langs scheepswerf ’t Kromhout (ook een museum) loop ik de Hoogte Kadijk op, een voormalige zomerdijk om het aangeslibde land van het IJ.

Langs de Oosterkerk kom ik op de Wittenburgerstraat. In de verte staat ’s Lands Zeemagazijn, ook wel het Admiraliteits Magazijn genoemd, nu beter bekend als het Scheepvaartmuseum. Het is het grootste 17e eeuwse pakhuis dat nog bestaat, gebouwd in 1655-1656, in Hollands-classicistische stijl.
Bij dit museum ligt een replica aangemeerd van de Amsterdam. De Amsterdam werd in 1748 gebouwd en ging 1749 op reis voor de VOC. Aan boord 203 bemanningsleden, 127 soldaten en vijf passagiers. En een uiterst kostbare lading. Naast textiel, wijn, stenen en kanonnen (de laatste voor ballast) en kantoorvoorraad voor de VOC in de Oost, waren er 27 kisten zilver aan boord. Waarde destijds 300.000 gulden, nu ettelijke miljoenen.
Het schip verging bij Hastings op de eerste vaart. De bemanning kon zich redden met medeneming van een deel van het zilver. Het schip werd geplunderd, reddingsplannen schoten te kort, en het schip zonk onherroepelijk in de klei weg.

Het staat als een paal boven water dat het Amsterdam goed ging. De komst van de vluchtelingen uit het Zuiden (waarvan sommigen, zoals Charles Six, eigen vermogen meebrengen) legt de stad geen windeieren. Natuurlijk moet er ruimte gezocht en gevonden worden om woningen en bedrijven te huisvesten, maar de nieuwkomers brengen ook nieuwe technieken mee en geven kunsten en wetenschappen een boost.

Ook de vaart op de Oost krijgt vleugels. De gebroeders De Houtman uit Gouda voeren voor de in 1594 opgerichte Compagnie van Verre naar Bantam op Java. Vier schepen vertrokken voor een barre en boze reis, met scheurbuik, uitputting, massamoord op de inheemse bevolking en grote verliezen onder de bemanning. Drie schepen keerden terug, omdat er niet meer genoeg manschappen waren voor vier.
De opbrengst van de specerijen was nauwelijks genoeg om de kosten te dekken, maar bewezen was dat men zonder al te veel last te hebben van de Portugezen zelf naar Java kon varen. En dat was het begin van de zeer succesvolle en winstgevende handel waaruit in 1602 de VOC ontstond.

De VOC
De Vereenigde Oostindische Compagnie (in hedendaagse spelling Verenigde Oost-Indische Compagnie),  afgekort VOC (1602–1800), was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een door de Staten-Generaal verleend monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. De VOC behield gedurende haar hele bestaan het alleenrecht om verdragen te sluiten, oorlog te voeren, forten en handelsposten (factorijen) te veroveren en te bouwen en bestuurders aan te stellen. De VOC werd geleidelijk aan een territoriale macht door de verovering van de Banda-eilanden (1609–1621), het kustgedeelte van Ceylon (1640–1656) en met name van heel Java tijdens de Javaanse successieoorlogen (1703–1755).

bron Wikipedia

Zwart
Een paar jaar later werd WIC opgericht voor de Trans-Atlantische driehoekshandel. Handelswaar (vuurwapens, buskruit, ijzer en textiel) werd in West-Afrika geruild voor mensen, goud en ivoor. De mensen werden vervolgens onder erbarmelijke omstandigheden naar Noord-Amerika of het Caribisch gebied vervoerd.
In 1718 liep de Leusden van stapel, een slavenschip dat bijna 20 jaar dienst zou doen en 10 reizen zou maken en 6.564 mensen uit Afrika vervoerde. Een kwart van hen overleefde de reizen niet.
De dekken waren zo laag gemaakt dat men zelfs nauwelijks kon zitten, om maar zoveel mogelijk mensen te kunnen vervoeren.
In november 1637 vertrok de Leusden uit Elmina aan Afrikaanse westkust met 700 mensen aan boord. 20 van hen stierven onderweg. Op 31 december werd de kust van Frans Guyana bereikt. Door slecht weer verloor dat kapitein zicht op het land en toen hij dichterbij voer, liep het schip op een zandbank. Hij was nl. niet de monding van de Suriname-rivier ingevaren, maar die van de Marowijne-rivier.
De slaaf gemaakten waren op dat moment aan dek gebracht om te eten. Onmiddellijk werden ze weer (op 16 na) onderdeks gebracht. Toen de gevangenen naar boven probeerden te komen, timmerde de bemanning de luiken dicht, bang als ze waren overmeesterd te worden, en het schip zonk.
Op de WIC vergadering een paar maand later werd dit een ‘gevoelige schade voor de compagnie’ genoemd. Dat was alles.

De WIC
De West-Indische Compagnie (WIC), voluit de Geoctroyeerde West-Indische Compagnie (GWIC of GWC) was een bedrijf uit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden dat in 1621 werd opgericht als privaatrechtelijke onderneming met publiekrechtelijke taken; de WIC was verantwoording schuldig aan de Staten-Generaal van de Nederlanden.

Bron Wikipedia

Iets anders
Ik loop langs rafelrandjes van de stad bij het spoor en kom bij het IJ. Ik probeer me voor te stellen hoe dat toen moet zijn geweest. Geen station, geen hoogbouw, wel honderden schepen, duizenden masten, bootjes die heen en weer varen, geroep en geschreeuw, géén motoren.
Ik stap in de trein en besluit om naar Nijmegen door te reizen. Even iets anders, nl. een orgelconcert.

In de Stevenskerk concerteert de jonge Duitse organist Enno Gröhn, vorig jaar winnaar van een improvisatieconcours. Hij zal vanavond op alle orgels van de kerk spelen en dus wandelen we achter hem aan door de kerk.
Eerst het Ardennen orgel in het koor, dat uit de tweede helft van de 17e eeuw dateert, waarschijnlijk door Dekens of Goltfuss gebouwd.  Een mooie barokke improvisatie volgt.
Vervolgens het Assendelft-orgel in de zuidkapel, in 1760 gebouwd door Pieter Assendelft. Het klinkt als een speeldoosje.
En dat het prachtige König orgel uit 1773-76, dat weer straalt in roomgeel en goud. Kun je je voorstellen dat de kas eind 19e eeuw donkerbruin werd geverfd? Hierop speelt de organist een prachtig programma, met een moderne Cantabile en een Pièce Symphonique over aangedragen thema’s.  Hoogtepunten zijn voor mij de fuga, de Danse Macabre (die bijna grappig is) en de fenomenale pedaalimprovisatie over Jesu, meine Freude.


Plaats een reactie