Zo soepel als het fietsen gisteren ging, zo taai ging het vandaag. Mijn benen wilden niet echt, het werd al snel heet, het was benauwd en vanaf Lith had ik de wind behoorlijk tegen.
Maar toch ga ik door, want ik heb een rondleiding vanmiddag.
Vanaf huis ging ik naar de Waal om met de pont naar het Land van Maas en Waal over te steken. Over de dijken met de wind in de rug naar het punt waar de Heerewaardense Afsluitdijk begint en dan via de Meidijk naar de pont over de Maas naar Lith. Ik heb geluk. De pont zal bijna afvaren, maar de schipper vergat de ketting de lossen en toen hij mij zag fietsen, gingen de bomen nog even omhoog.
In Lith weet ik een terrasje aan de Maas en daar ga ik eerst maar eens even aanleggen. Koffie mét een monchoutaartje, of liever een toetje. Uit een glas met een lepeltje. O, wat is dat lekker.
Onder langs de dijk rij ik achtereenvolgens naar Lithoijen, Oijen (met een mooi wit kasteel aan de met bomen omzoomde dijk), Macharen en Megen (met de gevangenpoort, laatst overgebleven onderdeel van de stadsmuur). Bij Megen ga ik de Maas verlaten om via de Harensedijk naar Haren te fietsen. Dit is een voor mij nog onbekend stuk Brabant. Ik kom langs het voormalige klooster Bethlehem in het dorpje. Het blijkt dat het hele ensemble van dit dorpshart op de Rijksmonumentenlijst staat. Het klooster uit 1662 met een kapel uit 1520, de Sint-Lambertuskerk uit 1868 en de pastorie uit 1877. Voor de kerk is er een groot vierkant plein met twee gebouwen die volgens mij scholen geweest zijn. De Harense Smid (voor wie nog weet wat dat is) kwam hier vandaan.
Via Koolwijk (Kolluk in het Brabants) kom ik in Schaijk. Daar heb ik bijna 50 kilometer op de teller staan, het is 30 graden en ik heb nog een uur voordat mijn rondleiding begint, dus is het tijd voor een lunch op een terras.
Dan is het nog een paar kilometer en daar, bij een inrit, staat een bord dat er een rondleiding is in het Jan de Jong-huis. Daar moet ik zijn.
Ik parkeer mijn fiets op het grind en kijk wat sceptisch naar de muren van betonstenen. Het doet wat afstandelijk aan, vind ik.
Eerst maar eens: wie is die Jan de Jong? Jan werd in 1917 in Lith geboren als zoon van een timmerman en dat was ook zijn voorland, maar hij ging richting architecteur via avondschool en cursussen bouwkunde. Hij kwam in dienst bij een architectenbureau en na de oorlog werkte hij voor de Dienst Wederopbouw aan boederijen in de Peel en Zuid-Limburg. In 1951 vestigde hij zich als zelfstandig architect in Schaijk en twee jaar later studeerde hij met lof af aan de academie in Tilburg.
Hij gaat verder en volgt nog een driejarige cursus Kerkelijke architectuur bij Dom Hans van der Laan, benedictijner monnik en architect. (Dom is een titel die in de Rooms-Katholieke kerk wordt gebruikt om bepaalde benedictijner of kartuizer monniken aan te spreken. Vgl. Dom Pérignon in Frankrijk. Dom komt van Dominus = heer.)
Deze opleiding en architectuurstroming van Dom van der Laan zou de Bossche School gaan heten.
In 1949 liet Jan op deze plek voor zijn gezin een huis in Engelse stijl bouwen. In de loop van de jaren kwamen er om het huis heen gebouwen en gebouwtjes staan, geïnspireerd door de lessen van Dom van der Laan. De voortuin werd ommuurd, een prieeltje gebouwd, een lichtdrukhuisje. De woning uit 1946 detoneerde meer en meer met de omgeving en uiteindelijk besloot Jan samen met zijn vrouw Riek een compleet nieuw huis te bouwen volgens de uitgangspunten van de Bossche School. Het werd zijn magnum opus. Alles is door hem ontworpen, de kasten, banken, tafels en stoelen, de keuken en de badkamer, de complete inrichting van de identieke slaapkamers (bedden, bureau’s, boekenkasten), de verlichting, zelfs de deurkrukken. Van de paar deuren die er zijn: de badkamer en de deuren naar buiten toe. Binnen zijn er verder geen deuren. Ook de slaapkamers hadden geen deuren, alleen gordijnen.
Als ik in het portiek binnenstap loop ik de donkere ruimte in. Ik moet even wennen. Er staan banken en stoelen, een grote tafel, een kisttafel, alles in bruingrijs hout. Grijze steen, grindvloer. Wat moet ik hier van denken?
Maar dan stap ik de woonkamer binnen en dan begrijp ik het, tenminste dat denk ik. De ruimte staat rust en eenvoud uit. De pilaren vormen een soort galerij aan de noordkant. Waar ramen hadden kunnen zitten, hangen een soort rieten wandkleden. Aan de andere kant zijn een soort ‘cellen’ afgebakend door muurschijven met in het midden de ingang.
We mogen plaatsnemen en het blijkt dat een dochter van Jan en Riek aanwezig is om ons meer te vertellen over hoe het was om in een architectonisch hoogstandje te wonen.
Nou, het was natuurlijk gewoon een huis. Met vijf opgroeiende kinderen, een grote moestuin, een bos vlakbij. Jan wilde zelfvoorzienend zijn en hij was graag in de moestuin aan het werk.
Jan en Riek waren ook diepgelovig. Aan de afscheiding met de keuken hangt een soort medaillon van het Lam Gods en aan de tegenoverliggende muur van de zitkamer een afbeelding van het Heilig Avondmaal. Daarnaast een prachtig Mariabeeldje. Boven aan de trap zie ik later nog een wijwaterbak.
Mijn eerste associatie van een klooster was zo gek nog niet.
Buiten op de grote loggia heb ik het idee in Toscane te zijn. Het is een fijne plek om te verblijven. Ook beneden op de binnenplaats zijn loggia’s, kleiner maar ook heel plezierig én mediterraan.
Jan bleef aan het huis werken, omdat hij niet alles in één keer kon betalen. De kroonluchter kostte hem een paar jaar. Zo ook de klokketoren die de kloosteruitstraling versterkt. Als we aan de dochter vragen, waar die klok voor diende, zegt ze: ‘O, om ons kinderen te roepen voor het eten. We speelden nogal eens verder op in het bos of we waren in de moestuin.’
Ja, zo simpel kan het soms zijn.
Toch is die klokketoren wel degelijk volgens de principes van de Bossche School gebouwd: de muur is in drieën verdeeld: 2/5, 1/7, 2/4. Bij elkaar opgeteld 1.004, afgerond dus één, maar nét niet. En dat nét niet, dat is waar het om draait.
Het huis is groot. Boven waren oorspronkelijk zeven slaapkamers, nu nog zes (de zevende is een tweede badkamer geworden) met allemaal toegang tot de loggia. Net als beneden is de ruimte zo opgedeeld dat het prettig aanvoelt. We lopen door naar het voormalige architectenbureau. Op exact dezelfde wijze ingericht, met bruingrijze houten lessenaars en banken en bureau’s.
Tot slot worden we gewezen op de bijzondere onregelmatigheid in de verdeling van de pilaren op bijvoorbeeld de loggia. In plaats van de ruimte evenredig te verdelen, werd de eerste ruimte groter gemaakt, dan volgen iets smallere openingen van gelijke grootte en de laatste opening is wat overblijft, een smalle sleuf. En inderdaad, nu valt het me overal op. In de woonkamer, in het bureau, op de loggia. Het is heel regelmatig ingedeeld, tot het niet meer regelmatig is. Maar daardoor voelt het heel prettig aan.
Rondom de grote dubbele voordeur staat een Latijnse spreuk die betekent: Het betaamt een wijs architect de massa en de ruimten te ordenen tot een dak voor het lichaam en een uitzicht voor de geest.
Jan overleed in 2001 en Riek in 2019. Jan had besloten dat het huis door een stichting moest worden beheerd. Zijn kinderen en weduwe waren daarbij betrokken, maar in 2016 is het pand overgedragen aan Vereniging Hendrick de Keyser. Want wat er anders met het pand gebeurd zou zijn? Keuken- en meubelbedrijven aasden er op om het als showroom te gebruiken.
Tijd om de trein op te zoeken. Ik fiets met de wind in de rug door het prachtige Brabantse land, over oude dijkjes, naar Huisseling en even later ben ik bij station Ravenstein.
Wat is de Bossche School?
De Bossche School kenmerkt zich door de toepassing van een strikt verhoudingensysteem, gebaseerd op het zogeheten plastische getal, een proportie gebaseerd op onze driedimensionale – vandaar ‘plastische‘ – perceptie van de wereld om ons heen. Een ander belangrijk concept in de theorie is de ‘cella‘ of kamer, de kleinste ruimte binnen een gebouw, die ontstaat tussen vier wanden die ‘in elkaars nabijheid staan’. De grootte van de cella dient direct gerelateerd te zijn aan de muurdikte, en vormt op zijn beurt de basis voor het gehele ontwerp. Vaak wordt de regel aangehouden dat de grootste lengte of breedte van de cella maximaal zeven keer de muurdikte mag bedragen.In de Bossche School-architectuur draait het in de kern om het tot stand brengen van besloten ruimten en om de onderlinge samenhang van alle onderdelen binnen het geheel. Dit wordt bereikt door de toepassing van evenwichtige maatverhoudingen volgens het verhoudingensysteem van het ‘plastische getal‘. Hoewel het nooit ging om het toepassen van specifieke stijlelementen, zijn er enkele kenmerken ontstaan die karakteristiek zijn voor de Bossche School-stijl.
* Diep geplaatste ramen met duidelijk zichtbare dagkanten om de muurdikte te benadrukken.
* De voegen tussen bakstenen zijn volledig opgevuld, soms zo vol dat het cement er uitdruipt.
* De buitenmuren zijn vaak aangesmeerd met cementpap.
* De vloeren zijn vaak uitgevoerd in gewassen grind in cement.
* De horizontaliteit wordt benadrukt door enkele speklagen of door het gebruik van duidelijk zichtbare lateien boven deur- en raamopeningen.
* De platte daken worden afgewerkt met een rij holle en bolle dakpannen langs de dakranden.
* De bouwmaterialen zijn op zo’n manier afgewerkt dat de constructie van een gebouw herkenbaar blijft.
* Er wordt gespeeld met de overgangen tussen de binnen- en buitenruimten.Bron: Wikipedia








