Erg toepasselijk: als we Antwerpen uitrijden, vaart er luchtballon boven de stad. Een gele, met grote smileys er op. En ja, dat klopt: Antwerpen. Maar eerst even terug. Vanmorgen om 8 uur liep ik door een rustige stad. Rouen was aan het ontwaken en het was stil op straat.
In het centrum van Rouen staan zo’n 2000 vakwerkhuizen, waarvan er 100 nog uit de Middeleeuwen, dus zo’n 600 jaar oud. Die oudste huizen kun je herkennen aan de uitkragende verdiepingen; zo werd waterinslag voorkomen.
Ik passeer het beroemde Gros Horloge, de grote klok. Het mechaniek van de klok is gemaakt eind 14e eeuw voor het belfort ernaast, maar in 1527 is de klok van het belfort gehaald om in een boog over de straat te worden geplaatst. Toen kreeg het ook de prachtige wijzerplaten met dagaanduiding en maanstanden.
Overal zijn restanten te vinden van oude kerken: de Saint Vincent, de Saint-Pierre-a-châtel, de Saint-André, de Saint-Saveur. Dan de nog intacte Saint-Laurent (nu een museum voor smeedkunst) en daarachter de Saint-Godard (dat ook beschikt over een Cavaillé-Coll orgel).
Ik loop naar de Place de Vieux Marche, de Oude Markt. Daar staat de Sainte-Jeanne-d’Arc, een merkwaardig gebouw met een hoogopgaand dak boven de kerkzaal, terwijl het dak aan de marktkant bijna de grond raakt. Erachter staat een serie kleinere gebouwtjes. De complexe dakstructuur doet denken aan vlammen en dat is ook de bedoeling. Achter de kerk is de plek waar de brandstapel stond waartoe Jeanne in 1431 veroordeeld werd. De kerk is zowel een religieus als een seculier monument voor deze jonge vrouw.
In het kasteel van Rouen heeft Jeanne gevangen gezeten en van dat kasteel is nog één toren over, de Tour de Jeanne d’Arc. Vanaf de toren loop ik richting de kathedraal. Ik loop een beetje lukraak en komt net iets te vroeg bij de kathedraal. Gelukkig kan ik even een terrasje pakken. Koffie met zicht op de kathedraal? Het kan slechter.
Na een kort bezoek aan de kathedraal (prachtige trap bij de sacristie!) is het tijd om de Saint-Ouen op te zoeken. Deze abdijkerk is net iets groter dan de kathedraal maar minder gedecoreerd. In de Romaanse kapel die op deze plek stond werd in 686 de naamgever begraven, bisschop Audoënus. De abdij zelf werd in de 8e eeuw gesticht. In de 13e eeuw werden de gebouwen herbouwd na brand.
In 1790 verlieten de laatste monniken de abdij. Het dormitorium (slaapzalen) werd het nieuwe stadhuis van Rouen, maar veel kloostergebouwen werden afgebroken en hierop is nu een prachtige stadhuistuin aangelegd. De façade van de kerk werd pas in de 19e eeuw voltooid.
De kerk is beroemd vanwege het orgel, maar ook om de lichtinval. Er zijn 80 gebrandschilderde ramen op drie niveau’s, uit de 14e tot en met de 20e eeuw. Typerend is dat deze ramen veel ongekleurd glas hebben met alleen in het midden prachtig gekleurde afbeeldingen. Dit zorgt voor een veel helderder licht dan ik net zag in de kathedraal.
Maar we komen natuurlijk voor het orgel. Helaas is het orgelfront afgedekt met een groot doek vanwege de restauratie van de kerk, waardoor het geluid iets wordt gedempt. Maar net als gisteravond klinkt het orgel fantastisch.
Titularis Jean-Baptiste Monnot zit aan de klavieren en op het grote scherm zien we hem aan het werk. Het blijft fascinerend dat zo’n groot instrument met twee handen en twee voeten te bedienen is en dat er dan zo’n fantastisch geluid uitkomt.
Het programma omvat ‘maar’ drie stukken: het Allegro uit de vijfde van Widor (komt vrolijk binnen) en dan Brahms met het verstilde ‘Herzlich tut mich verlangen‘. Sluitstuk: Fantasie en fuga over het koraal ‘Ad Nos, ad salutarem undam‘ van Lizst. En voordat iemand op zoek gaat naar dit koraal: het komt uit de opera Le prophète van Meyerbeer uit 1849.
Oei, denk ik, dat vind ik toch niet zo’n geweldig mooi stuk. Maar o, wat kun je verrast worden. Of het nou komt omdat ik de organist op z’n vingers kijk of door de prachtige orgelklank (vooral die 32-voet) of door nog iets anders, het stuk emotioneert me enorm.
Eigenlijk wil ik hierna gelijk de kerk uit, om even tot mezelf te komen, maar de organist zit al op de bank van l’Orgue du Voyage en speelt daar Bach. Vrolijk, licht en luchtig brengt het voor mij alles net weer in balans.
Dit ‘reisorgel’ is een gedeconstrueerd orgel: een speeltafel vanwaaruit slangen en kabels naar de diverse los opgestelde registers lopen. In een grote kring staan we om de organist heen. Bij sommige registers kun je bijna aanwijzen welke pijpen tot klinken worden gebracht. Onverwacht zoiets, maar wat mooi.
Dan is het tijd voor de lunch. We hebben nog even en ik loop meteen terug naar de Sainte-Jeanne d’Arc, die nu open is. Even binnen kijken, en als altijd maakt de kerk diepe indruk. De lage muurtjes verbergen een verdiepte kerkzaal met aan de andere zijde hoog oprijzende gebrandschilderde ramen. Deze ramen zijn in de Tweede Wereldoorlog uit de Saint-Vincent gehaald voor bescherming. Maar goed ook, want de kerk werd volledig verwoest.
Ik zie zeker vier afbeeldingen van Jeanne (of Jehanne, zoals ze eigenlijk heette) maar een reliek zul je niet kunnen vinden. Onderdeel van haar veroordeling was dat er niets van haar mocht overblijven na haar executie en zo gebeurde: wat er nog op de brandstapel lag is verstrooid over de Seine.
Genoeg over Jeanne.
Ik moet nog wat eten en dat doe ik bij het 14e eeuwse Palais de Justice, ook al weer zo’n overweldigend gotisch gebouw. De voorzijde is nog steeds pokdalig van de oorlogsschade uit de Tweede Wereldoorlog, maar verder is het gebouw prachtig gerestaureeerd.
Het is net door half vijf als we na een vlotte busreis in Antwerpen aankomen. Tijd voor een terrasje en vanuit de bus had ik een rustig plekje gespot. En om 10 voor vijf zit ik achter een Tripel Karmeliet die prima smaakt bij dit warme weer en een echt Vlaamse maaltijd met stoofvlees en waterzooi.
Om zeven uur zijn we bij de kathedraal want daar is ons laatste concert. Gelukkig hebben we een paar uur de tijd gehad om Rouen te laten bezinken, want hier gaan we twee totaal andere orgels horen.
Kathedraalorganist Peter van der Velde zal eerst het Metzler-orgel bespelen dat in het transept hangt, vlak boven Rubens’ prachtige kruisafname. Vanwege de vele missen van vandaag is de kerk gevuld met de geur en een mist van wierook wat heel mystiek werkt. En dan begint bijna tinkelend Bach’s Pièce d’orgue, gevolgd door Schmücke dich, o liebe Seele en Mozarts Adagio en Fuga in een bewerking van Guillou.
Vervolgens het Schijven-orgel. De kathedraal had destijds ook bij Cavaillé-Coll een offerte opgevraagd voor een nieuw orgel, maar koos toch voor Schijven. Die was goedkoper en hij moest onder tijdsdruk dit orgel afleveren. Bij de restauratie van ca 10 jaar geleden bleek hoezeer die tijdsdruk het orgel parten had gespeeld. Onderdelen waren niet of niet goed aangelegd, pijpen stonden veel te dicht op elkaar, noem maar. Na de restauratie (die eigenlijk ook een soort afronden van het werk van Schijven was) stond er een volwaardig kathedraalorgel.
We blijven nog even in Franse sferen met Chaminade’s Prélude en Duruflé’s Toccata (beide onbekend voor mij) en Francks Prière (zo mooi!). Volstrekt niet-Frans is Peter Eilanders koraalbewerking van Psalm 16, verzoekstuk vanwege het jubileum van Stichting Vox Humana, organisator van deze reis, maar wat klinkt dat prachtig op dit orgel.


















