Het is maandagmiddag en ik zit op een terrasje in Scheveningen. In de verte varen grote schepen bijna onmerkbaar verder, een vissersschip zet vlot koers naar de haven, de windmolens op zee draaien, een musje komt op mijn tafeltje zitten. Niets oorlogszuchtigs te zien. Het is vrede alom.

Oorlog
Toch ben ik in Den Haag voor een avond over oorlog. Ik ga naar een lezing over oorlogsenthousiasme in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, georganiseerd in het kader van de NAVO-top in juni. En vooraf kijk ik even rond bij de minitentoonstelling met boeken over oorlog en vrede, ook al in het kader van die NAVO-top.

Si vis pacem, para bellum
Als je vrede wilt, bereid voor op oorlog! Deze uitspraak wordt toegeschreven aan de Romeinse schrijven Publius Flavius Vegetius Renatus, zeg maar Vegetius. Hij schreef rond 390 na Chr. ‘De re militari‘, over militaire zaken, een soort handboek over de oorlogsvoering in het Romeinse Rijk. Dit handboek was zeer invloedrijk. Tot ver in de 19e eeuw vielen militair strategen hierop terug.

Belli detestatio. Ofte oorlogs vervloeckinge
De titel van een boek van Erasmus, waarin hij uit een heel ander vaatje tapt. De 16e eeuw werd door oorlogen geteisterd en Erasmus schreef maar liefst 10 werken over vrede. Zijn invloedrijkste was ‘Querela pacis’, klacht van de vrede, geschreven in aanloop naar een grote vredesconferentie in 1517. Hij laat de gefrustreerde godin Vrede de machthebbers oproepen serieus na te denken over wat vrede werkelijk betekent – en dit af te zetten tegen de hoge kosten van oorlog. Toen ik langs het gebouw liep naar de ingang zag ik een uitspraak van Erasmus die daarover gaat: ‘De prijs van vrede is nooit te hoog’.

Si vis pacem, para pacem
Als je vrede wilt, bereid voor op vrede! Vrede moet actief worden onderhouden, door burgers, door staten, samen bouwen aan universele waarden, internationaal recht, diplomatie en geweldloos verzet. Er valt een lijn te trekken vanuit de tractaten van denkers als Erasmus, Grotius en Kant, naar de vredesbewegingen uit de 19e en 20e eeuw en daarom ligt hier ook het boek ‘De wapens neder’ van Bertha von Suttner, een adelijke Duitse vredesactiviste uit de 19e eeuw.

Dienstplicht
In de Club Erasmus krijgen we eerst een korte lezing van Channa Hoogervorst, collectiespecialist, over dienstplicht, anarachisme en vredesactivisme in de 19e eeuw.
Dienstplicht werd ingevoerd in de Napoleontische tijd. Legers bestonden tot die tijd uit beroepsmilitairen en huurlingen. Maar Napoleon had meer mannen nodig en bedacht de ‘conscriptie’, de loting voor dienstplicht.
De dienstplichtigen werden per geboortejaar, de zgn. lichting, opgeroepen en dan volgde een soort loting. Sommige mannen werden afgekeurd, anderen werd vrijstelling verleend vanwege zwaarwegende privé-zaken, de rest moest in dienst. Hoewel? Je mocht je loting afkopen als je een vervanger kon vinden.
En zo gebeurde het dat het leger bevolkt werd door mannen uit de ‘lagere’ klasse, omdat de bezittende klasse het geld had om een loting af te kopen.

De ongelijkheid in het leger én in de maatschappij begon te wringen. Er onstonden sociale arbeidersbewegingen, er kwam anti-militair activisme en verzet tegen de dienstplicht, dat gek genoeg vrijwel naadloos overliep in oorlogenthousiasme.

Oorlogsenthousiasme
De tweede lezing is van Ewoud Kieft, historicus en schrijver. Aan de hand van het leven van Hermann Hesse voert hij ons mee naar de wereld van ruim 100 jaar geleden.
Hoe bizar het ons ook in de oren mag klinken, er was destijds een enthousiasme om ten oorlog te gaan. Oorlog werd als een soort natuurkracht gezien, als iets dat de oude orde omver zou werpen en waarop een nieuwe, lees betere, orde zou kunnen onstaan. Oorlog werd bijna als een noodzakelijk iets gezien.
In een wereld waarin industrialisatie, individualisme en afstand tot de natuur hoogtij vierden, werd de natuurmens, de natuur an sich, bijna aanbeden door leden van de vooral hogere klasse. Die konden zich dat veroorloven.

De Eerste Wereldoorlog had geen doel, er was geen ideologisch standpunt, geen groot verhaal. En toch…
Toch kwam dat grote verhaal er wel. Het was zinloos, maar juist daarom ging men kijken of het toch zinvol was! Want anders waren al die opofferingen, al die slachtoffers voor niets geweest.

Er waren geen propagandabureau’s, maar schrijvers en kunstenaars wierpen zich als vanzelf, zondr aansporing, op als verdedigers en propagandisten van de oorlog. Vooral in Duitsland en Frankrijk, maar ook in Engeland.

Ook Hesse, toch antimilitarist, liet zich meeslepen in de oorlogsrethoriek, al kwam hij snel bij zinnen. Het was zo verleidelijk om mee te gaan in het enthousiasme, in de saamhorigheid, in de massaliteit.

De rauwe werkelijkheid was anders, heel anders.
Oorlog was niet heroïsch, het was dood en verderf, modderige loopgraven, bombardementen van afstand. Het was industrieel en anoniem.
Ofwel Belli detestatio. Ofte oorlogs vervloeckinge


Plaats een reactie