‘Wie dût mi’j wat, wie dût mi’j wat vandaage, wie dût mi’j wat‘. Uit de luidspreker bij sportpark Nieuw-Scheemda klinkt ‘Op fietse‘ van Daniel Lohues terwijl ik aan een broodje hamburger zit. Nu ben ik wel niet op de fiets, maar toch past het liedje bij vandaag. 80 jaar geleden werd Nederland bevrijd en sinds die tijd leven we in ongekende vrijheid, vrede, rust en welvaart. En vandaag sta ik daar extra bij stil.
In een onbewaakt ogenblik had ik me ingeschreven voor de tweedaagse Bevrijdingstocht tussen Winschoten en Delfzijl. Zo arriveerde ik gisteravond in Winschoten om vandaag op tijd aan de start te kunnen verschijnen.
Bij Oud-Winschoten (een voormalig schoolgebouw dat o.a. wordt gebruikt door de historische vereniging van Winschoten) is de start. Er is een expositie ingericht over de bevrijding van Winschoten en omgeving, net als bij meerdere stopplaatsen onderweg. Want dat moet gezegd: er zijn voldoende pauzeplekken geregeld. Voor een sanitaire stop, maar ook voor de versterking van de inwendige mens.
Gepoogd is de route langs belangrijke plekken te laten gaan. In Winschoten zijn dat er gelijk heel veel. Twee rotondes met vlakbij een klein monument voor Belgische en Poolse bevrijders. In het centrum lopen we langs het monument voor de Joodse inwoners. Een grote gele Davidsster met een grote scheur. Er achter een muur met meer dan 400 namen. Schrijnend is de ‘selectie’ die is aangebracht. Mannen links, vrouwen en kinderen rechts.
Bij de voormalige synagoge, met school en rabbinaatshuis staat een klaagmuur. Ik besef dat ik kleine steentjes had moeten meenemen. Dan had ik die hier als eerbetoon kunnen achterlaten.
Langs het voormalige huis van de Joodse bakker gaat de route naar Heiligerlee en dan naar Scheemda. In Scheemda staat een zwerfkei met Davidsster als herinnering aan de 22 Joodse inwoners die zijn vermoord.
Het bijzondere van deze route is, dat overal de vlag uithangt. Huizen en straten zijn versierd. Het leeft hier echt, 80 jaar bevrijding.
Langs het Termunterzijldiep loop ik richting Nieuw-Scheemda. Het weer is fantastisch en ik kan prachtig ver kijken over het vlakke land.
Aan de kerk van Nieuw-Scheemda kun je zien dat het helemaal niet zo nieuw is. Het zaalkerkje stamt uit 1661 en is gebouwd is een stijl die doet denken aan de toen al verouderde gotiek. Het kerkje is open en dus wip ik snel naar binnen.
Een kop koffie met een koekje (neem er nog maar eentje) en dan loop ik verder. Ik ben nog net niet de laatste wandelaar, maar veel scheelt het niet. Hier in het dorp start ook de 20 kilometer. Die wandelaars zijn hierheen gebracht met twee bussen van het busmuseum uit Hoogezand.
Via ’t Waar ga ik naar een mooi pad langs het Hondhalstermeer, in 1980 aangelegd in het kader van de ruilverkaveling. Het zorgt voor waterberging en is tegelijk een natuurgebied.
Wagenborgen nadert, de eerste stempelpost van vandaag. Aan nagenoeg elke lantaarnpaal hangt een soort vlag met daarop een foto van een Canadese soldaat die in de gevechten met de Duitsers is omgekomen. 19 in totaal. De bevrijding was in ieder deel van Nederland anders, en werd ook heel anders ervaren. Nederland was bijzaak bij de bevrijding van Europa en de bevrijding ging hapsnap, rommelig en slordig. De mislukking van Market Garden was natuurlijk helemaal verschrikkelijk.
Het zorgt ervoor dat Limburg in september 1944 al vrij was, met vrij weinig schade, terwijl de hongerwinter in het westen nog moest beginnen. De Slag om de Schelde was verwoestend voor Vlissingen en omgeving. Walcheren stond onder water. In Brabant werd bijv. bij Sprang-Capelle fel gevochten en zo ook in de Betuwe en uiteraard in en rond Nijmegen en Arnhem. Op 12 april 1945 was mijn geboortedorp in Drenthe bevrijd en zo stapsgewijs ging het noordwaarts. In Groningen is er nog vreselijk gevochten en men staat hier echt stil bij de slachtoffers.
Op de kruising in Wagenborgen staat een monument, weer een zwerfkei. Er staat een oudere heer bij, duidelijk gevraagd om uitleg te geven. Hij vertelt over de zware gevechten, dat men in de kelders school. Hij wijst naar plekken waar huizen en boerderijen in brand stonden. Ik vraag hem of hij het zelf heeft meegemaakt. Ja, ja, zeker wel. Hij was zes en een half. Ja, toen we uit de kelder kwamen lagen hier zeven dode Duitsers. Hij wijst naar de bocht in de weg. Ik vraag hem hoe hij daar nu naar kijkt. Ja, je moest verder, het land opbouwen. En dan zegt hij: ik had mijn vader nog zo graag willen vragen hoe hij het had beleefd.
Ik bedank hem en ga naar de stempelpost. Na het stempel zijn soep, broodjes en koffie voor een schijntje te koop. Even de schoenen uit, schone sokken aan en dan ga ik weer verder. Uiteraard eerst een blik in de 19e eeuwse Petruskerk en dan weer vooruit.
Na de buurtschappen Kopaf en Scheve Klap sta ik aan de oever van een ander stuk Termunterzijldiep. Nieuwolda is in zicht. Via een hoogholtje (een hoog houten bruggetje) kom ik bij de grote brug.
Ik ben nu in het land van de grote boerderijen gekomen. Voorhuizen als paleizen of stadswoningen. De graanrepubliek, waarmee de boeren rijkdom vergaarden maar ook sociale onrust onder hun arbeiders. Een voedingsbodem voor communisme.
Bij Hoofdstraat 119 staat een pijltje naar een bunker. Achter het huis had de toenmalige bewoner, de oud-burgemeester, al begin jaren 1930 zelf een bunker laten bouwen. Ik mag er zelfs even in. 1.6 bij 3,2 m. Twee ontluchtingspijpen. Niemand weet meer of het ooit gebruikt is. Maar bijzonder is het zeker.
Ik begin ‘m te knijpen. Haal ik vijf uur in Woldendorp wel? Een telefoontje naar de bezemwagen stelt me gerust. Ik loop lekker door en kom ondertussen in gesprek met een medewandelaar. Spontaan biedt ze aan me naar Delfzijl te brengen. Daar woont ze toch, dus…
In Woldendorp staan op diverse plekken uitvergrote foto’s van de situatie van net na de oorlog. Uitgebrand en vernield, nu toch fraai hersteld, zoals het prachtige kerkje. Achter de Dorpswinkel is de stempelpost en kunnen we wachten op de bus die ons naar Winschoten terugbrengt. 33 km in de benen.
Betje, Sientje, Heijman en Heintje, vier Joodse bewoners van Groot Bronswijk, die de oorlog niet overleefden. Zij waren opgenomen in Groot Bronswijk bij Wagenborgen. Dat heette toen nog Vereniging Tot Christelijke Liefdadigheid (TCL). Deze instelling verzorgde tussen 1873 en 2006 mensen met een beperking en later vanaf 1960 psychiatrisch patiënten. Nu is er een landschapspark, want nagenoeg alles is gesloopt.
Maar die vier namen?
Betje Stoppelman (1895 -1943)
• Geboren: 24 juli 1895 in Winschoten
• Dochter van Mozes Stoppelman en Willemina Bargeboer
• Op 9 april 1930, als ze 34 jaar is komt ze naar vrouwenpaviljoen Salem, Groot Bronswijk
• Ze werkt in de keuken, waar ze potten en pannen schoonmaakt
• Weggevoerd op 9 maart 1943
• Overleden op 13 maart 1943 in Sobibor, 47 jaar oud.
Betje kreeg in 1922 en 1924 – zonder vaste relatie – twee kinderen, die levenloos geborenwerden. In 1927 kreeg ze zoon Hendrik. Promiscuïteit en wisselende seksuele contacten, met name als die leidden tot zwangerschap, waren begin vorige eeuw niet zelden oorzaak van opname in een instelling.
Sientje Stoppelman (1909 -1943)
• Geboren: 20 januari 1909 in Winschoten
• Dochter van Mozes Stoppelman en Willemina Bargeboer.
• Op 6 augustus 1930, ze was toen 20 jaar, komt ze naar Groot Bronswijk.
• Ze werkt net als haar zus Betje in de keuken.
• Weggevoerd op 9 maart 1943
• Overleden op 13 maart 1943 in Sobibor, 34 jaar oud.
In 1930 ging Sientje als dienstbode werken bij een Joods gezin in Groenlo. In augustus van dat jaar werd ook zij opgenomen in Groot Bronswijk. In oktober 1941 werd haar zoon Hendrik geboren. Hij werd opgenomen in een pleeggezin. Later zei hij over zijn moeder: ‘Ze was een christelijke jodin en ze schreef gedichten.’ Sientje werd hoogstwaarschijnlijk om dezelfde reden als haar zus opgenomen in Groot Bronswijk.
Heiman Aptroot (1 924 -1 943)
• Geboren: 1 augustus 1924 in Hoogezand
• Zoon van Bernard Aptroot en Margaretha van Delft.
• Op 3 maart 1931, als hij 6 jaar is, komt hij naar paviljoen Rehoboth, Groot Bronswijk.
◦ Hij gaat wonen in paviljoen Bethesda
• Weggevoerd op 9 maart 1943
• Overleden op 13 maart 1943 in Sobibor, 19 jaar oud.
Heiman werd in Hoogezand geboren als zoon van een veehandelaar. Eerder al werd hij opgenomen in Het Apeldoornsche Bosch. De verpleegprijs voor deze instelling was hoger dan die van Groot Bronswijk. Toen dat niet meer betaalbaar was, werd hij overgeplaatst naar Groot Bronswijk. Heiman is een druk kereltje, verder is er weinig over hem bekend. Zijn ouders, broer en zus, overleefden net als hij de oorlog niet.
Heintje Levi (1890 – 1943)
• Geboren: 7 juni 1890 in Groningen
• Dochter van Jozeph Levie en Rica Leverpoll, geboren als het negende kind.
• In 1942 is ze opgenomen in paviljoen Eben Haezer, Groot Bronswijk
• Weggevoerd op 9 maart 1943
• Overleden op 13 maart 1943 in Sobibor, 52 jaar oud.
Heintje werd in Groningen geboren als negende kind van koopman Jozef. In 1914 werd haar zoontje Jozef geboren. Op zijn geboorteakte staat geen vader genoemd. In 1942 werd Heintje opgenomen in Groot Bronswijk, maar enkele maanden later vertrok ze alweer naar het Apeldoornsche Bosch. Toen patiënten en medewerkers van deze instelling in januari 1943 werden gedeporteerd naar Auschwitz, kwam ze terug naar Groot Bronswijk. Nog geen twee maanden later begon in Wagenborgen haar reis naar Sobibor. In documentatie over haar staat dat haar verstandelijke vermogens beperkt waren.













