Nou, dat was het zeker. Ca. half twee wandel ik naar het station. De trein naar Utrecht, daar bijna een half uur wachten op de aansluiting naar Groningen. Die rit alleen al duurt bijna twee uur. Dan overstappen op de bus naar Winschoten, want de treinen rijden dit weekend niet op het traject Groningen-Nieuweschans. Al met al stap ik om kwart voor zes het hotel binnen, dat tegenover het station ligt.
Ik ben inderdaad in de Ommelanden van de stad Groningen, maar dit spreekwoord zou ook letterlijk kunnen duiden op om een land heen moeten varen of reizen i.v.m. bepaalde verboden of afspraken. Hoe het ook zij, Winschoten.
Nog nooit geweest en een eerste kennismaking valt zeker erg goed uit. Het is een verrassende stad, hoofdplaats van deze regio en de gemeente Oldambt.
Stad is het nog niet zo lang, sinds 1819, samen met Delfzijl. In een stedelijk reglement werd dit vastgelegd. Stadsrechten hadden toen alleen nog maar symbolische betekenis.
Daarvoor was het een vlek ofwel een grotere marktplaats zonder stadsrechten. In de 16e en 17e eeuw was het een vestingplaats, maar daar is niet veel meer van over. In de 18e eeuw is vrijwel alles ontmanteld. Ik loop over een pad langs iets wat denk ik een stuk is van de voormalige gracht.
Onderweg kom ik langs vier cortenstalen figuren die iets van het verleden van Winschoten laten zien.
Een hannekemaaier, een eiervrouwtje, een schildwacht en slager Bos.
Hannekemaaiers waren seizoensarbeiders uit Westfalen en Graafschap Lingen (Duitsland) die in de 17e tot en met 19e eeuw te voet naar de Nederlanden kwamen om gras te maaien. Hun naam komt van Sint Johannesdag, 24 juni, het moment waarop ze aan het werk gingen. Johannes werd Hannes en samen met maaier ontstond Hannekemaaier.
Het eiervrouwtje staat voor de marktfunctie van Winschoten. Vrouwen uit de wijde omgeving gingen op marktdag met een juk met twee manden vol met eieren naar de markt om hun waren te verkopen.
De schildwachter herinnert aan de vesting Winschoten, terwijl slager Bos het Joodse verleden van Winschoten verbeeldt.
Procentueel gezien was Winschoten na Amsterdam de plaats met de meeste Joodse inwoners. Op het platteland van Groningen was een levendige veehandel gaande, waarin de Joodse handelaren een belangrijke rol speelden. Evenzo de slagers, die het vlees kosher moesten slachten voor de verkoop. Het herinnert me aan het boek van Pauline Broekema. Benjamin. Een verzwegen dood. Over een slager uit Warffum. Toch maar weer eens uit de kast pakken.
In het hart van de stad staan de Toren en de Marktpleinkerk, los van elkaar, maar ze horen wel degelijk bij elkaar. De kerk was ooit gewijd aan Sint Vitus, De kerk behoorde aan het klooster van Corvey aan de Wezer en dit klooster bezat relieken van deze heilige. De kerk staat helemaal vrij op het grote plein (het voormalige kerkhof) en is een heel fraai 13e eeuws Romano-gotisch gebouw, in de typerende rode baksteen die Groninger gebouwen kenmerkt (kwestie van ijzer in de klei). Smal en hoog, met 22 smalle hoge vensters en 11 ronde hagioschopen in de kooromgang. Een hagioscoop was bedoeld voor mensen die de mis niet mochten bijwonen vanwege een besmettelijke ziekte. Door zo’n venster kon met de heilige communie toch zien. (Hagio = heilig en scoop = zien.)
De toren stamt deels uit de 13e eeuw en is de loop der eeuwen steeds verhoogd. Het bevat een prachtig beiaard dat ik ieder kwartier over de stad hoor.
Opvallend vind ik de vele mooie panden uit vooral de 19e en vroege 20e eeuw. Fraai versierd en groot, geven ze iets weer van de bloei van deze stad. Ook het stadhuis straalt dat uit. Het is 1896 en heeft de letters SPQW op de gevel staan. Senatus Populesque Winschotanus.
Onderweg zie ik ook wat particuliere kunstuitingen. Een fraai tableau in een portiek en een bord met onderstaand gedicht van Rawie.
Kinderjaren
Ik zoek een tijd te doen herleven, die
betekenis moet geven aan het heden;
reëler dan de dingen die wij deden
wordt wat wij waren in de fantasie.
De zolder van de oude pastorie,
onttogen aan het huishouden beneden,
omsloot een rijk dat niemand mocht betreden
maar dat ik blijvend in den blinde zie.
God zat des avonds aan met het gezin,
en achter hoge vensters ruisten bomen
een eindeloos nabije hemel in.
Ik weet niet waar het kind ons is ontkomen,
maar eens wordt ieder einde, elk begin,
weer in dit doodstil ruisen opgenomen.
Jean Pierre Rawie




