Na mijn bezoek aan De Bazel ga ik een wandeling maken van Het Verhaal van Nederland: Amsterdam. Het regent nog steeds en dat zal ook nog wel zo blijven, dus ben ik blij met de paraplu die ik nog snel op het station heb gekocht.

20 miljoen gulden
Dat was de schuld waarmee Amsterdam opgezadeld zat toen de Fransen begin 19e eeuw ons land hadden verlaten. De rente alleen was een miljoen gulden per jaar, een kwart van de jaarbegroting van de stad.
De stad was een schim van zichzelf geworden. Armoe troef onder de bevolking, veel werkloosheid, en in 1816 zelfs hongersnood.

Vondelingen
Twee brugnamen brengen deze tijd in herinnering. De Abel Weetnietbrug en de Angenietje Swarthofbrug. Angenietje ving in haar eigen huis weeskinderen op, wel 126 in totaal, en zij was ook weeshuismoeder.
Abel was een vondeling. Sommige ouders waren zo ten einde raad dat ze hun kind ergens op straat neerlegden of bij een vondelingenluik achterlieten. Sommigen met een briefje, zodat een naam bekend was. Bij Abel was niets.
Vondelingen kregen dan een naam die iets zei over waar het kind gevonden was. Zo was er een Anna Schoen, gevonden door een schoenmaker, Anna Champagne, gevonden in een wijnkelder, en Maria Secreet, gevonden bij een soort WC. Bij Abel wist men blijkbaar niets meer te verzinnen.

Piet
Het leed en de armoede in de stad waren enorm en Piet van Eeghen trok zich dat aan. Hij werd geboren in 1816 en verloor al jong zijn moeder. Hij woonde aan wat de Gouden Bocht werd genoemd, het meest prestigieuze deel van de Herengracht. Aan de overzijde was het uit de 17e eeuw stammende familiebedrijf gevestigd (nog steeds, trouwens).
In 1843 richtte hij samen met zes andere mannen de Vereniging van Ziekenhuisverpleging op, na de choleraepidemie. Jonge vrouwen werden opgeleid tot verpleegkundige en gingen mensen aan huis verzorgen. In 1854 werd op de plek van drie afgebrande panden een ziekenhuis gebouwd, het Prinsengrachtziekenhuis.
In 1846 richtte hij met vrienden een vereniging op die prostituees moest helpen. En in 1851 de VAK, de oudste woningbouwvereniging van het land.
in 1864 presenteerde een commissie waar hij lid van was plannen voor een museum, dat het later Rijksmuseum werd.

Samuel
Iets ouder dan Piet, van 1813, uit een totaal ander milieu, was Samuel Sarphati. Joods arts, chemicus, weldoener en broodfabrikant.
Ook hij zag wat Piet zag en vanaf het midden van de jaren 1840 ontplooide hij zijn organisatietalent. Heel wat keren zou hij vastlopen in de Amsterdamse bureaucratie, maar hij kreeg ook veel voor elkaar.
In 1847 kreeg hij een vergunning om afval in te zamelen. Dat werd verkocht naar Drenthe en de Achterhoek als meststoffen voor de arme zandgronden daar.
in 1852 richtte hij de Vereeniging voor Volkvlijt op en in 1855 de Maatschappij voor Meel- en Broodfabrieken die brood aanbood 30% onder de bakkersprijs.
Hij bemoeide zich ook met de stadsuitbreiding en stadsverfraaiing. Het Paleis voor Volksvlijt en het Amstel Hotel zijn aan zijn brein ontsproten.
Het Paleis is niet meer, in 1929 verwoest door brand, maar het heeft daardoor een zekere mythische status gekregen. Akoestiek en programmering waren niet zo geweldig, maar de uitstraling van het glazen gebouw met veel gietijzer en de vele gaslantaarns was betoverend.
Het hotel had vrijwel geen waarde in een stad die toen nog helemaal geen toeristen trok, maar nu is het één van de vele hotels, maar niet voor de gewone toerist.

Opwaarts
Rond 1870 steeg de levensverwachting van de Amsterdammer, mede door de inspanningen van Piet en Samuel.
De maakindustrie kwam op gang, bijna een eeuw na de industriële revolutie in Engeland. Amsterdam trok weer mensen aan, huizen werden gebouwd in de buurt YY, wat nu De Pijp heet.
Er kwam een prachtig plan van Van Niftrik dat echter op weerstand stuitte van de gemeenteraad i.m.v. de vele onteigeningen en het afbreken van een complete zaagmolenbuurt (nu de Albert Cuypstraat). Een deel werd wel aangelegd, de rest werd volgens het plan Kalff aangelegd. Relatief nauwe straten met de rijtjeshuizen van die tijd. Niet alles werd even stevig gebouwd en soms stortten huizenblokken in.
Toen een echte arbeidersbuurt, nu een buurt waar je geld moet hebben om er te kunnen wonen.
Het Sarphati-park kwam er wel en is nog steeds een groene oase. Je zou vergeten dat je in de stad bent.
Had het plan Niftrik doorgegaan, dan zou ik hier op de trein gestapt zijn, want hier was het centrale station van Amsterdam voorzien.

Dat is niet doorgegaan, dus stap ik nog even verder door de regen.


Plaats een reactie