In het eeuwenoude Bartholomeus Gasthuis (14e eeuw) woon ik een lezing bij van Oud-Utrecht, de historische verening van Utrecht.
Daniël van den Bos heeft vorig jaar een boek uitgebracht met daarin herinneringen van een Joodse arts.
Daniël heeft al sinds zijn studietijd contacten in Israël. Ten tijde van de Covid was hij voornemens het Israëlpad te lopen. Elke 20 km zou hij ergens overnachten, maar dat ging niet door. Met één van de gastheren bleef hij in contact, Micky Cohensius. Die vertelde dat zijn vader Isaac uit Nederland kwam, uit een dorp met een voor Daniël onverstaanbare naam, dat Oude-Tonge bleek te zijn.
Maar zoals zoveel overlevers van de oorlog en de Holocaust had zijn vader nooit iets verteld. Daniël bood aan om in Nederland op zoek te gaan, maar hij kwam er tot zijn verbazing achter dat hij in Israël moest beginnen. Daar lag nl. in het Museum van de Ghetto Strijders een map met daarin de handgeschreven herinnering van Isaac.
Daniël heeft het manuscript overgetikt en daarna in het Engels vertaald, zodat het toegankelijk is voor anderen. En hij heeft het laten uitgeven.
Isaac is geboren in Oude-Tonge op de Molendijk. Zijn geboortehuis is in 1953 weggespoeld bij de Watersnoodramp.
De gezondheid van zijn moeder was niet goed en daarom verhuisde het gezin naar Nijkerk, waar zijn moeder vandaan kwam.
Isaac ging naar de middelbare school in Amersfoort, waar zijn vader ook ging wonen na het overlijden van zijn moeder.
Hij start zijn medische studie in Utrecht en ontmoet Ester van den Hoeden, een verpleegster, net als hij idealistisch ingesteld. Isaac is niet orthodox Joods, Ester wel.
Dan breekt de oorlog uit. En maatregel na maatregel wordt de Joden het leven steeds verder onmogelijk gemaakt.
Isaac verliest zijn vader, die in 1941 zelfmoord pleegt, en moet zichzelf daarna redden, als enig kind.
Hij vertikt het een Jodenster te dragen, doet zijn bevallingen (voor zijn studie) in de regio Utrecht, reist met het openbaar vervoer en eet in gewone restaurants (streng verboden voor Joden destijds).
Ester krijgt in 1940 ontslag en richt een thuiszorgbureautje op en plaatst advertenties om cliënten te werven.
En dan gaat het heel snel.
Ze besluiten te gaan trouwen en wel op 29 juli 1942. Isaac stelt alles in het werk om af te studeren. Hij ziet wel in dat 20 oktober 1942, zijn afstudeerdatum, niet zal lukken. Vanuit de universiteit krijgt hij daarvoor veel medewerking, maar helaas!
19 augustus 1942: oproep om naar het treinstation te gaan. Ze krijgen zelfs een ‘gratis’ plaatsbewijs, enkeltje Hooghalen.
Voor de reis moesten ze een paar zaken inpakken. Ester heeft toen een koffer met haar gebedenboeken in de tuin van hun huis begraven. Deze zijn later gevonden en worden nu bewaard in Museum Kamp Westerbork.
Op 20 augustus 1942 worden Ester en Isaac geregistreerd in Kamp Westerbork. Op aandringen van Ester zet Isaac alles in het werk om studieverlof te krijgen. En dat lukt!
Hij mag acht dagen terug naar Utrecht, waarbij hij zich iedere dag moet melden bij de vreemdelingenpolitie (hij was een geboren Nederlander!).
Hij studeert af op 28 augustus 1942 en op 31 augustus worden hij en Ester op transport gesteld naar het Oosten. Dan nog vanaf station Hooghalen en in een gewone wagon.
Beiden zijn optimistisch. Isaac schrijft dat het zelfs een soort van gezellig in de trein was. Het Wilhelmus werd aangeheven, immers de verjaardag van Koningin Wilhelmina.
Op 1 september komt de trein aan bij het station van Cosel, 80 km voor Auschwitz. Hier vindt een selectie plaats. Arbeidsgeschikte mannen de ene kant, vrouwen, kinderen en de rest de andere kant op. Het is de laatste keer dat hij Ester ziet. Drie dagen later is ze al niet meer in leven.
Hij wordt Krankenbehandler (ziekenverzorgende, arts mocht hij zich als Jood niet noemen) in diverse kampen. In het begin proberen de mannen de moed er nog in te houden. Hoop tegen beter weten in.
De situatie in de kampen is ronduit slecht. Dit is ‘Vernichtung durch Arbeit‘.
Als arts kan hij weinig betekenen. Middelen heeft hij nauwelijks, zijn ‘hospitaal’ is een afgeschoten hoek met drie bedden. Meer mochten er niet ziek zijn. Meldde zich iemand ziek, dan moest Isaac bepalen wie niet meer ziek mocht zijn.
Hij werd door zijn medegevangen daarom geminacht.
In dit gebied in Polen, Silezië, werkt hij in totaal in zeven kampen: Niederkrich, Seibersdorf, Blechhammer, Sankt Anna, Faulbrück, Gräditz, Langebielau-Sportschule (Reichenbach).
In dit laatste kamp maakt hij de bevrijding mee.
In Blechhammer ontmoet hij de op dat moment doodzieke Frieda Lemberger, met wie hij trouwt, als eenmaal duidelijk is dat hun beider echtgenoten de Holocaust niet hebben overleefd.
Frieda wordt directeur van het cultuurcentrum in Wroczlaw en Isaac specialiseert zich als gynaecoloog.
De contacten met (en vooral het gebrek aan reacties en ondersteuning vanuit) Nederland zijn reden voor Isaac om nooit meer naar Nederland terug te keren.
In 1948, na de vestiging van Israël, immigreren Isaac en Frieda. Zij krijgen twee kinderen. isaac sterft in 1993, Frieda in 2016.
Vorig jaar hebben de kleinkinderen van Isaac en Frieda Nederland bezocht en hebben ze twee Stolpersteine geplaatst voor het laatste woonadres van Isaac en Ester. Tot dit manuscript werd ontsloten wisten de kinderen en kleinkinderen niet van het bestaan van de eerste vrouw van Isaac.
