Als kind begreep ik het woord interbellum niet, als ik boeken las die gingen over de jaren 1920-’30. Ook later, op de middelbare school, nog steeds niet. Ik associeerde het met mooi, van het Franse belle.
Maar daar heeft dit mooie woord niets mee te maken.
Een interbellum (uit het Latijn van inter, tussen, en bellum, oorlog) is een periode tussen twee oorlogen. Met Het Interbellum wordt eigenlijk altijd de periode van november 1918 tot september 1939 bedoeld.
Catharijneconvent
Ik ben in Utrecht, in museum Catharijneconvent waar een tentoonstelling gewijd wordt aan kunst uit het interbellum. Werken van Duitse, Nederlandse en Belgische kunstenaars zijn hier samengebracht in een overrompelende tentoonstelling. Kleurrijk, met diverse kunstvormen. En waarschuwend.
Alleen al de titel: Tussen hemel en oorlog.
Waar zitten we?
1918: de Grote Oorlog is voorbij. Europa kijkt verbijsterd naar de puinhopen die het zelf heeft veroorzaakt. Mensen zwerven, op drift geraakt, van land naar land. Oude keizerrijken (drie maar liefst) zijn ten ondergegaan. Het oude heeft opgehouden te bestaan. Normen en waarden, zekerheden, religieuze autorireit: niets van dat al heeft deze vreselijke oorlog kunnen voorkomen of doen stoppen.
En waar zoeken we het nu?
Modernisering versus religie en spiritualiteit
De samenleving moderniseert. Vanuit Amerika komt een vrijere cultuur overgewaaid, techniek en massamedia komen in Europa aan land.
Tegelijk zijn mensen op zoek naar zingeving, vernieuwing en verbinding. Kunstenaars zien juist hun metier, kunst, als een fundament voor een betere wereld.
Er zijn kunstenaars die zich afwenden van religie, immers onmachtig gebleken in de Grote Oorlog. Anderen zoeken juist religie en spiritualiteit op, proberen op die manier een nieuwe wereld te presenteren.
Indrukken
Zo maar wat werken die indruk maken.
De Processie van Marianne von Werefkin: een kleurrijk berglandschap waarin nonnen in processie op weg gaan het kapelletje op een bergtop om het Christusbeeld te aanbidden.
De prachtige kubistische heilige Benoît Labre van Otto van Rees. Een heilige opgebouwd uit rechthoekige delen, waarbij twee halve cirkels een aureool voorstellen. Het moet schokkend geweest zijn voor de katholieke gelovigen, destijds.
De Perelaar van Valerius De Saedeleer. Donkere kale bomen in de sneeuw, dorpje en ondergaande zon: een en al sfeer, maar ook dreiging misschien?
De Pelgrim van Jan Toorop: in een grote tekening zijn de figuren bijna niet uit elkaar te houden, maar middenin staat een bijna dreigend aandoende pelgrim die wordt ontvangen door Maria met het kindje. De tekening is zo vol met lijnen, dat het me duizelt. En toch fascineert het me.
Een geborduurde zondeval, een prachtige kazuifel, een zwarte madonna, een vrouwelijke engel in de annunciatie, maar ook werk van kunstenaars die theosofie als uitgangspunt nemen. Volgens deze religieuze filosofie komen alle religies voort uit een tijdloze wijsheid.
Abstract werk zoals een portret waarbij het gezicht tot een paar lijnen is gereduceerd. Een kruisbeeld, waarbij met twaalf lijntjes en een blauw bolletje Jezus aan het kruis wordt afgebeeld. Toen werd het geweigerd in de kerk, maar het is zo krachtig.
Nog een kruisbeeld. Van Kazimir Malevitsj, wiens werk tot het suprematisme wordt gerekend. In het suprematisme zijn geometrische figuren leidend en bij Malevitsj is dat vaak het vierkant. Ook in dit kruisbeeld. Door het strategisch plaatsen van lijnen wordt in het midden een vierkant opengelaten. En toch is het een kruisbeeld.
Rouwende moeder
Een klein bronzen beeld is het maar, wat hier staat. In Berlijn in de Neue Wache staat een grote kopie van dit beeld. Moeder met haar dode zoon van Käthe Kollwitz. In 2007 stond ik daar ademloos voor.
De Piëta van Michaelangelo is beroemd, het schitterende witmarmeren beeld van een gestorven Jezus in de schoot van een engelachtige Maria.
Hier geen schoonheid, hier bijna tastbaar verdriet, misschien zelfs woede? Een moeder in kleermakerszit, gehuld in een grote doek, heeft haar zoon bijna dubbelgevouwen in haar omarming. Ontroostbaar.
Käthe, beeldhouwster, en haar man Karl, arts, hadden twee zonen, Hans en Peter. Peter kwam om in de Eerste Wereldoorlog, 23 oktober 1914.
Haar verdriet heeft Käthe vorm gegeven in haar werk, zoals in dit beeld.
Op de begraafplaats in België waar Peter ligt staan twee beelden van Käthe, het ouderpaar, twee geknielde figuren die als het ware vergiffenis vragen aan hun kind.
In 1942 verloor ze haar kleinzoon Peter, zoon van Hans, in de oorlog aan het Oostfront.
Dreiging
Aan het eind van de tentoonstelling hangen schilderijen die een ongelooflijke dreiging uitstralen.
De spons der bitterheid, waarop een verlaten Golgotha te zien is. Simeon de Pilaarheilige van Carel Willink, uit 1939, een paar maanden voor de oorlog begon.
En het ijzingwekkingde ‘De Apocalyps’ van Tinus van Doorn. Op het werk uit 1932 denderen vier ruiters met hun paarden over een dorp.
In 1932 is de crisis in volle gang. Tinus en zijn vrouw verhuisden in 1938 naar België om te ontsnappen aan de dreiging van het nationaalsocialisme. Op 17 mei 1940 maakten ze samen een einde aan hun leven.








