Plons! Daar viel mijn plan voor vandaag. In het water.
Het plan was om vanaf Leiden naar de kust te fietsen en dan noordwaarts. Eén blik op Buienradar en ik zag dat ‘m dat niet werd. Een buienfront dreef langzaam vanuit het noordoosten naar de omgeving van Den Haag.
Plan B dan maar.
Kasteel Hernen wordt het vandaag. Dit kasteel ligt in het Land van Maas en Waal en zo sta ik om half 12 op het pontje Pomona om de Waal over te steken.
Het weer is echt heel aardig. Niet echt warm, maar zeker niet koud. Tijdens mijn tocht komt de zon er ook zo nu dan tussendoor.
Met de knooppunten-app heb ik een route in elkaar gezet en zo fiets ik over de Waaldijken van Wamel langs Beneden-Leeuwen en Boven-Leeuwen. (Boven en beneden beteken hier stroomopwaarts en stroomafwaarts.)
Bij Druten duik ik het Land van Maas en Waal echt in.
Het Land van Maas en Waal is een streek in de provincie Gelderland, en ooit onderdeel van het Rijk van Nijmegen, één van de kwartieren van Gelre. De ligging tussen twee grote rivieren (noordelijk de Waal en zuidelijk de Maas) zorgde voor een eeuwenlange isolatie. Zonder bruggen was het er lastig komen en men omzeilde het gebied dus.
De nabijheid van water zorgde ook voor vele overstromingen, groot en klein. Langs de dijken kun je overal gedenktekens zien.
Ik fiets nu door het oostelijk deel van het Land van Maas en Waal dat toch best verschilt van het westelijk deel waar ik later vandaag zal fietsen. Daar is een grootscheepse ruilverkaveling geweest met nieuwe boerderijen. Grotere percelen, rechte sloten, vlak en plat.
Oostelijk is het anders.
We kunnen het ons nu niet meer voorstellen maar in dit gebied zochten Maas en Waal duizenden jaren geleden eeuwenlang hun eigen weg. Igeklemd tussen zuidelijk de hoge zandgronden van Brabant en noordelijk de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug, gingen ze meanderend hun gang. Vielen ze droog, dan waaide de bedding weg en het zand stoof op als duinen.
Deze duinen zijn tot op de dag van vandaag hier aanwezig. In Puiflijk maakt de knooppuntenroute een raar ommetje, lijkt het. Rechts, links, links en ik sta waar ik zou zijn als ik rechtdoor was gegaan. Maar dan had ik het hoogste punt van dit dorpje gemist. En dan moet je toch even flink trappen, hoor.
Ik kom bij de Van Heemstraweg, de langste weg in Nederland met dezelfde straatnaam, die loopt van Weurt tot Brakel over een lengte van 57,3 km. De aanleg werd in 1934 aangevangen, maar pas in 1959 was de weg helemaal voltooid.
Na het viaduct over deze weg kom ik het prachtige gebied rondom Horssen en Bergharen. Bij Bergharen ligt een langgerekt bebost rivierduin met daarop een bedevaartsoord.
En dan sta ik in Hernen op de oprijlaan van het sprookjesachtige kasteel Hernen. Dat ziet er uit zoals je je als kind een kasteel voorstelt. Torens, luiken, een poort, een brede gracht, een kleine binnenplaats met trapjes naar de kelders.
Gelukkig heb ik een kaartje gereserveerd, want het is druk vandaag. Ik krijg een leren lantaarn mee en dan mag ik heer Reyner van Wijhe gaan volgen, burggraaf van Nijmegen en richter (rechter) en dijkgraaf in het Rijk van Nijmegen.
Iets westelijker van het kasteel zijn restanten aangetroffen van een motte. Een motte is een afgeplatte aarden heuvel waarop meestal een torenvormige versterking werd gebouwd, aanvankelijk van hout, later ook steen.
Het was bezit van Van Hernen, een familie uit Nederrijn-Westfalen. Leden van deze familie zijn in dienst bij de bisschop van Keulen, volgens 12e-eeuwse bronnen. De Rooms-Duitse keizers willen meer greep op dit gebied en daarom wordt hier nabij de Maas ook een versterking gebouwd, het mottekasteel.
In de 13e eeuw zijn de Van Hernens inmiddels hoge adel en Hernen is een vrije, hoge heerlijkheid.
In 1360 gaat Alart van Driel (inmiddels is het kasteel in andere handen overgegaan en dat zal nog vele malen gebeuren) aan de slag met een nieuw kasteel. In 1369 wordt het voor het eerst genoemd ‘den huyse van Hyrnen’.
Een reusachtige vierkante donjon (woontoren) met een grote ommuurde binnenplaats. In de eeuwen die volgden bouwden de successievelijke heren van Hernen het uit. Diverse vleugels werden tegen de binnenkant van de muren aangebouwd. Resultaat: een prachtig bewaard gebleven 14e eeuws weermuur.
In 1544 erft Reyner van Wijhe de heerlijkheid en het kasteel van zijn vader Joachim. In 1545 wordt hij burggraaf van Nijmegen en dijkgraaf en richter. In deze functies ontmoet hij hoofdrolspelers op het politieke toneel van die tijd: keizer Karel V, landvoogdes Maria van Hongarije en prins Philips van Habsburg, de latere koning Philips II.
Reyner bouwt de laatste woonvleugel van het kasteel, degene waar je vanaf de oprijlaan tegenaan kijkt. Bakstenen afgewisseld met natuurstenen banden, helemaal in de stijl van die tijd, de Renaissance.
De bakstenen werden op eigen terrein gebakken. Iets verderop in het bos zijn nog restanten van zes veldovens gevonden, waar per bakronde tussen de 30.000 en 75.000 stenen gebakken konden worden.
Als je nu naar het kasteel kijkt, zie je wel een groot verschil met oude tekeningen. De grote vierkante donjon is er niet meer. Eind 18e eeuw is deze met donderend geraas ingestort. Niemand wist waarom, maar onderzoek heeft uitgewezen dat uit de muren van de donjon delen waren weggekapt, om ruimte te maken. Dit zal de toren hebben verzwakt en uiteindelijk doen instorten. Op de restanten is een soort terras aangelegd.
Het kasteel werd nagenoeg niet bewoond door de opvolgende eigenaars en daardoor nauwelijks aangepast aan de eisen van de tijd. Dit zorgt voor de middeleeuwse uitstraling van het kasteel.
Uiteraard is er modern comfort, zoals een toilet, dat helemaal in de kelder zit onder de prachtige gewelven.
Ik maak een ommetje om het kasteel en stap dan op de fiets en ga richting de Maas. Bij Batenburg staat de ruïne van het vroegere kasteel. Zo kon het ook aflopen.
Terzijde 1: Een vrije heerlijkheid was van de middeleeuwen tot de Franse tijd (ca. 1795) een feodale bestuursvorm in de Nederlanden. Vrij betekende dat de landsheer eigenaar van alle bezittingen was. Alles werd uiteraard verpacht voor de opbrengsten, maar het bleef bezit van de heer. Een vrije heerlijkheid is altijd een hoge heerlijkheid, andersom hoeft niet.
Terzijde 2 Een hoge heerlijkheid was een in de praktijk nagenoeg zelfstandig functionerend gebied met eigen lokale regels en plaatselijke rechtspraak. Aan het hoofd stond de landsheer die het gebied in bruikleen had gekregen van de grondeigenaar. De heer bezat vaak het recht om regelgeving op te stellen en om lijfstraffen uit te delen tot en met zelfs het halsrecht: de doodstraf.










