De nålouper

Aan het Schildmeer stond ooit het Schildhoes, een borg zoals dat in het Gronings werd genoemd. Geen kasteel, maar een fraaie boerderij. De boer die er woonde stond bekend als iemand die van en aan anderen veel beloftes vroeg, maar zelf zijn eigen toegezegde beloftes nooit inloste.
De boer werd ernstig ziek en lag op sterven. Hij vroeg zijn vrouw hem te beloven nooit meer te trouwen. De boerin stemde in. Zij leidde het bedrijf na zijn dood met een knecht. De knecht wist niet alleen goed te boeren, maar hij viel ook in de smaak bij de boerin. Maar die belofte…
Na een aantal jaren heeft de knecht genoeg van het wachten en besluit te vertrekken. Dat trekt de boerin over de streep en ze trouwen. Maar dan…
Als de boerin ’s avonds alleen in de kamer zit te spinnen, komt de boer bij haar zitten. Hij zegt niets, maar legt zijn hand op het wiel, waardoor het spinnen steeds stroever gaat. Avond aan avond gaat dat zo door, tot de boerin besluit dat het zo niet langer gaat. Zo kan ze niet spinnen en dat gaat haar geld kosten.
Op naar de dominee, domie in het Gronings. Domie gaat met haar mee en komt bij haar in de kamer zitten als ze wol gaat spinnen. En inderdaad, de boer komt binnen, gaat zitten en houdt het wiel van het spinnewiel vast. Domie had een geschilde stok meegenomen en die steekt hij uit naar de boer die deze vastpakt. Domie loopt naar de deur en gaat naar buiten en de boer volgt hem. Aan de oever van het Schildmeer stoppen ze en wordt de boer gevraagd in het riet te gaan staan en het meer leeg te scheppen. Pas dan mag hij terugkomen. Hij krijgt een Stevensvat aangereikt. De boer laat de stok los en pak het vat. De stok heeft een zwarte schroeiplek waar de boer het vasthad. De boer gaat water scheppen. En tot op de dag van vandaag kun je in de avond het ruisen van het waterscheppende boer horen. Want een Stevensvat heeft geen bodem…

Zo’n verschijning wordt ook wel een spook of een geest genoemd. Paar opvallende verschillen: dit spook is niet transparant en niet koud of kil. Ook is de reden om er vanaf te willen geen angst maar economisch gericht. Het is een zogenaamde nålouper of weerganger, waarover onze docent in het Groningse wel meer dan 100 varianten heeft kunnen optekenen.


Ik zit weer in Nijmegen voor een avond over mytische wezens. In de eeuwenoude Latijnse School staan de raampjes open en de koffie met paaseitjes smaakt goed. Vanavond gaat het over goden. Wanneer is iemand een god? En wanneer niet? Hieronder volgen wat aantekeningen n.a.v. dit college.


We nemen een kijkje bij de cognitieve religiewetenschappen en zien daar het volgende.
Religie en mythologie kunnen worden verklaard vanuit het menselijke geest-brein. (Je brein en je geest samen zijn aan het werk, vandaar dit vreemde woord.) Hierbij is een exclusieve focus op dit geest-brein vanuit evolutionair perspectief.
Je kun dit op twee manieren bekijken: als parasitair en als pro-sociaal.

Parasitair klinkt afschuwelijk, maar er wordt mee bedoeld dat een mythe of legende een doel dient (bijv. gevaren onderkennen) en van generatie op generatie wordt doorgegeven en daardoor groeit. Het wordt onderdeel van het narratief van een groep.
Pro-sociaal betekent dat de mythe of legende een bedoeling heeft waarmee het collectief geholpen is of wordt.


Pascal Boyer wil ons laten zien dat mensen door middel van HADD mensen in extasociale wezens kunnen geloven. HADD staat Hyperactive Agency Detection Device. Zo’n wezen moet dan minimaal contra-intuïtief zijn en breken met ontologische categeriën (persoon, dier, plant, artifact, natuurlijk voorwerp).


John Barret gaat er vanuit dat een godheid
* contra-intuïtief moet zijn
* een intentionele actor is
* strategisch waardevolle informatie bezit
* handelingen uitvoert die in de wereld kunnen worden waargenomen/gevoeld
* bekrachtigende handelingen motiveert.


Religie en mythologie liften mee op de HADD. Een mythologisch wezen moet wel breken met onze normale wereld, maar ook niet teveel. Het moet tot op zekere hoogte geloofwaardig blijven.
Verhalen over extrasociale wezens bestaan al vanuit de oudheid. Zelfs de grottekeningen zouden kunnen wijzen op extrasociale wezens.


Het Zeus-probleem

Maar we hebben ook het Zeus-probleem. Zeus is aanbeden geweest als oppergod van de Grieken. Maar nu? Er is geen cultus meer?
Dat heeft er mee te maken dat het narratief gestopt is. De rituelen zijn niet meer doorgegeven, in het Romeinse Keizerrijk werden ze opgenomen in de veelheid van rituelen rondom allerlei goden en op termijn werden ze verdrongen door de christelijke rituelen.


Het Christelijke godsbeeld is een god die almachtig, algoed en alwetend is. Tevens is deze god drie-in-één en transcendent (wereldoverstijgend). Daarmee is dit een a-typische god. En het creëert het theodicee: een probleem waarmee christenen al eeuwen worstelen. Een god die alwetend en almachtig en algoed is kan alles goed maken. Waarom gebeurt dat niet?


Onze docent poneert de stelling dat veel goden dienstverleners zijn. Al klinkt dat heel gek, toch lijkt het daar wel op. Zeker in religies met veel goden. Voor elk onderdeel van het menselijk leven is er een godheid te aanbidden en om offergaven aan te brengen. Maar als het niet goed gaat, wat dan? In Zuid-India bestaat uitscheldpoëzie waarmee de god Shiva kan worden uitgescholden omdat deze niet heeft geluisterd.


Het godsbeeld IS de god, is de letterlijke belichaming van een god.


Wat is een God?
Goden kunnen handelen, zijn persoonlijke wezens, zijn bovenmenselijk en mensen kunnen met hen in contact komen.


Goden lijken soms heel erg op mensen, soms goed, soms slecht. Mensen zijn het model voor de mythische wezens en goden. De mens is het meest voorkomende wezen in de mythologie.


Via Negativa
Je kunt ook de zaak omdraaien. Je kunt niet zeggen wat god is, maar je wel zeggen wat god niet is.


We gaan nog wat halfgoden bekijken en komen tot de conclusie dat het beeld van wat god is en wat niet, heel erg bepaald is door een westerse, christelijke blik. Wat wij een god noemen, wordt in veel culturen niet eens als een god gezien, maar als een extrasociaal wezen met bepaalde krachten en gewoontes.


En dan de laatste vraag: waarom is de kerstman (of Sinterklaas) geen god?
Zij zijn een fict. Slechts in een bepaalde tijd van het jaar (november/december) wordt in hen geloofd door een beperkte demografie (de kinderen).


Plaats een reactie