Boven het vlakke Friese land steekt de toren van Wijckel uit. Ik blijf deze zien tot bij Lemmer, waar de schoorsteen van het gemaal van verre te zien is. Dat is mijn doel van vandaag.
De vergeten watersnood van 1825 was voor de Fryske Akademy aanleiding om hun jaarlijkse symposium hieraan te wijden. En dus rij ik om 10 uur het terrein van het imposante gemaal op.
De koffie gaat uiteraard vergezeld van een stukje oranjekoek en dan mag prof. dr. Lotte Jensen aftrappen. Zij is de keynote speaker en zij zet de ramp in een breed perspectief neer.
Rampen
Ze begint met de vraag welke ramp het eerste in ons naar boven komt. 1953, Bijlmerramp, Vuurwerkramp zijn zo wat antwoorden. Maar Corona bijvoorbeeld niet.
Dat lijkt er mee te maken te hebben dat dat iets is wat we het liefst maar vergeten, terwijl het wel degelijk een ramp was. Bij een ramp komt de samenleving op spanning te staan, maar het zorgt ook voor solidariteit, saamhorigheid en een identiteitsgevoel.
Cultuur
- reageert met praktische maatregelen
- interpretatie van de ramp volgens de gangbare religieuze opvattingen en tradities
- de ramp wordt al dan niet zichtbaar door communicatie en verbeelding in de media.
Herinneringscultuur
- De omvang en impact zijn hiervoor van belang.
- Maar ook het moment. De Vuurwerkramp bijvoorbeeld vond plaats op zaterdagmiddag, vlak voor het Songfestival waarvan de uitzendingen diverse malen werd onderbroken.
- Is er een nationaal wij-gevoel?
- Hierbij is de rol van de media erg belangrijk.
Wanneer blijven we herinneren
- Past de ramp en/of de reactie daarop in het nationale narratief. 1953 verbeeldt de strijd tegen én daarna de beheersing van het water d.m.v. het Deltaplan.
- Mythevorming is ook belangrijk. Iedereen kent het verhaal van de baby in het wiegje bij Kinderdijk, zonder ook maar te weten bij welke ramp of jaar het hoort.
- En Hansje Brinker, het jongetje met de vinger in de dijk, heeft zelfs een standbeeld, terwijl hij nooit heeft bestaan, maar hij verbeeldt de niet aflatende strijd tegen het water.
Memory boom
Er is een soort memoryboom gaande, waarbij voorheen onbekende rampen over het voetlicht worden gebracht. Maar dit herdenken heeft niet alleen met het verleden te maken, maar ook of juist met het heden en de onzekere toekomst. Klimaatverandering is daarvan niet los te zien.
Ook entertainment kan gebruikt worden om de educatie te ondersteunen, zoals een wandeling, een fietstocht of een speciaal biertje.
Invention of tradition
Bij de herdenking van 1825 werden in februari de klokken geluid. In Kampen bijv. luidden de klokken meer dan 300 maal, voor ieder slachtoffer een slag. Ook in Friesland luidden de klokken van tientallen plaatsen wat een gevoel van saamhorigheid teweegbracht.
Het Woudagemaal
In de pauze is er gelegenheid om mee te gaan met een rondleiding door het Woudagemaal. Nagenoeg iedere bezoeker wil mee en dat kan gelukkig met wat logistiek gegoochel.
1825 was niet de laatste overstroming. In 1894 waren er meerdere grotere en er werden twee commissies geïnstalleerd. Ze onderzochten of stoomgemalen moesten worden ingezet om de Friese binnenwateren in bedwang te houden.
Het merengebied is een grote boezem die moet spuien op destijds de Zuiderzee. Bij westenwind wordt dat moeilijk, bij storm onmogelijk.
Bedijking van de Lauwerszee zou misschien inzet van stoomgemalen onnodig maken, maar nee, de commissies kwamen tot de eensluidende conclusie dat stoom de weg was.
En zo wordt in 1915 gestart met wat nu het Woudagemaal heet.
Bij de schoorsteen staan we met het hoofd in de nek. 60 meter hoog, 3.5 m doorsnee boven, 6,5 m beneden, gemaakt van speciale radiale bakstenen met gaten, zodat de rookgassen veilig konden worden afgevoerd.
In de ketelloods staan nu vier ketels, maar ooit zes. Vijf voor het gemaal, één voor wat dagelijks nodig was.
De grote hal met stoommachines is indrukwekkend, qua grootte maar ook qua architectuur. De lichtgele stenen, de tegeltjes in blauw en zachtrood/oker, het gladde gelakte hout, de glanzende koperen oliekannen. En natuurlijk de vier zwarte stoommachines en de acht grote grijze centrifugaalpompen.
Middenin is het kantoor van de hoofdmachinist met nog de originele bureaus. En een fenomenaal uitzicht.
Het gemaal is in 1920 in gebruik genomen en heeft tot 1966 dienst gedaan, eerst op kolen, later stookolie, nu diesel.
Het wordt twee keer per jaar gepland onder stoom gebracht om de vaardigheden van de bemanning op peil te houden. Het is het grootste stoomgemaal ooit gebouwd en het is maalvaardig. Vrijwel ieder jaar wordt het ingezet om het J.L. Hooglandgemaal bij Stavoren te ondersteunen.
PS: de naam Wouda krijgt het pas in 1947. Dirk Frederik Wouda was hoofdingenieur van de Friese Provinciale Waterstaat, maar ook de architect van het gemaal.
Hieronder een overzicht van de andere lezingen. Overgenomen van de site van de Fryske Akademy.
De Gouden Hoep gebroken… en gedicht. Dijkzorg in Friesland voor en na 1825 door drs Frits D. Zeiler
Rond 1300 werd in het Rustinger Landrecht gesproken van de Gouden Hoep; een zeedijk die als een ring om Friesland om heel moest worden gelegd. Daaraan moesten alle inwoners hun kluitje bijdragen. In de lezing zal een kort overzicht worden gegeven van de belangrijkste ontwikkelingen in de dijkzorg langs het noordelijk gedeelte van de Zuiderzee, in relatie tot de landaanwinning en het landverlies vanaf het ontstaan van die zee in de late 12de eeuw. Daarbij speelden gezagsverhoudingen, kennis van de waterbouw (vooral vanaf de 16de eeuw) en waarneming van natuurwetenschappelijke verschijnselen een steeds groter rol. Al in de 18de eeuw begon men gegevens te verzamelen over weersomstandigheden, verschijnselen als afslag en aangroei van land en de werking van de zich steeds weer verplaatsende geulen en stromingen. Na de watersnood van 1825 kwamen de ontwikkelingen in de spreekwoordelijke stroomversnelling en werd de Gouden Hoep dankzij de inzet twee geleerde Friese boeren, die mede de grondslag legden voor de moderne dijkbouw, gesloten.
Stormvloeden langs de Waddenkust, 1400-1825 door dr. Otto Knotnerus
Vaak wordt gesuggereerd dat stormvloeden van alle tijden zijn. Kijken we naar hoogte van de dijken (ca. 1 meter per eeuw erbij), dan blijkt dat anders te liggen. De middeleeuwse bewoners van het Waddengebied leefden nog in een amfibische omgeving die geregeld overstroomde. Met het verhogen van de dijken en het begin van offensieve bedijkingen werd het gevaar van dijkdoorbraken steeds reëler. De stormvloeden van 1570, 1634, 1686 en 1717 waren dan ook dodelijker dan alles ervoor en erna. Pas dankzij staatsingrijpen werden de risico’s weer beheersbaar.
‘Waarom of waartoe? De watersnood vanuit godsdienstig perspectief’ door dr. Jan-Dirk Wassenaar
De watersnood heeft tot een enorme stroom aan pennenvruchten geleid: gedichten en liederen, brieven en dagboeken, verslagen en gedenkboeken, preken en leerredenen. In een aantal daarvan is sprake van godsdienstige ‘verwerking’ van de ramp. Er zijn publicaties waarin de ramp als een straf van God wordt gezien. In andere domineert het gezichtspunt dat die als een pedagogisch middel van Godswege beschouwd moet worden. Dan komt een verlicht-christelijke benadering naar voren. Er moeten nog twee aspecten genoemd worden. In de eerste plaats komt de oproep tot liefdadigheid vaak voor. In de tweede plaats komen bepaalde regio’s door de ramp duidelijker dan andere in beeld, ze worden expliciet als onderdeel van het nog jonge koninkrijk aangeduid. Zo komt groeiend nationaal besef tot uitdrukking.
Fries waterbeheer en 1825 als wake-up call door Mark Raat Msc
Al eeuwenlang functioneert het Lage Midden als natuurlijke waterberging van Friesland. Sinds de vroegste bewoning hebben Friezen ‘yn it fean’ polders aangelegd om zich te weren tegen overvloedig water. Tot ver in de negentiende eeuw was dat vooral een initiatief van particulieren. De provincie moedigde de bedijkingen aan, maar had weinig controle over de afwatering. Met een groeiend aantal polders werd ook het waterbeheer steeds moeilijker, vooral in jaren met natte winters. Vanaf de vroege negentiende eeuw hebben sommige Statenleden gepleit voor actievere rol van de provincie. Vele landeigenaren bleven zich echter verzetten tegen bemoeienis van hogerhand. De watersnoodramp van 1825 drukte Friesland met de neus op de feiten: er moest nu echt wat veranderen.
Een blik naar voren door dijkgraaf Luzette Kroon
De herdenking van de waternoodramp vormt aanleiding tot herbezinning en reflectie op de huidige problematiek van klimaatverandering, waterspiegelstijging en dijkonderhoud. Vallen er lessen te trekken uit het waterschapsbeleid van voorgaande eeuwen? Voor welke hedendaagse uitdagingen staat Friesland en wat is daarin de rol van overheid, waterschap en inwoners?






