1. Welkom in Waterland staat er op het sideboard in mijn kamer.
  2. Weer wat geleerd vandaag. Als een oeleboerd op een boerderij helemaal wit is, is het een pachtboerderij. Is het middeldeel groen, dan is het eigendom.
  3. De stelpboerderijen zijn jonger dan de kop-hals-rompboerderijen. In de kop van de boerderij is de kelder waar de boerin de boter karnde. Toen er melkfabrieken werden opgericht waar dit werd gedaan, waren die kelders niet meer nodig.

Drie keer raden waar ik ben vandaag. Friesland, natuurlijk

In Tiel was het bij het vriespunt en mistig. Op de fiets naar Geldermalsen was het nog steeds erg koud. Onderweg werd het wel minder mistig, maar pas in Heerenveen was het volop zonnig, met een frisse wind. En wat voor wind. Juist… tegenwind. Na weken oostenwind en een paar dagen noordoost en noordwest, zat de wind in het westen. En ik moest westwaarts. Tja…

Op de actuele hoogtekaart van Nederland valt dit stukje Friesland uit de toon. Gaasterland is glooiend en een stuk hoger dan het omringende land van polders, sloten, vaarten en meren. Ook is het bebost, al is dat niet van nature. Een landeigenaar heeft daarvoor gezorgd, waardoor dit gebied erg niet-Fries aandoet. Landschappelijk dan. Want de bebouwing is wel degelijk Fries

De kop-hals-rompboerderijen, de stelpboerderijen, de kleine huisjes, de mooie kerken. En natuurlijk Sloten. Het enige Friese stadje dat ik vandaag aandoe.

Met knooppunten heb ik een route in elkaar gezet van Heerenveen naar Oudemirdum en vandaar een stukje terug richting Bargebek, de buurtschap waar ik overnacht.

De 40 km naar Oudemirdum waren schitterend, maar zwaar. Het was m’n eerste fietstocht van dit seizoen en dan gelijk de wind op de kop. Het viel niet mee, zullen we maar zeggen.

Vanuit Heerenveen fiets ik door Nijehaske en Oudehaske en vervolgens langs ’t Nannewiid, een prachtig natuurgebied met veel water. Over fietspaden langs weteringen en door de weilanden kom ik bij Scharsterbrug. Nooit geweten dat het water waaraan het ligt de Scharsterrijn heet. Het verbindt het Tjeukemeer en de Langweerderwielen.

In Sint Nicolaasga (Sint Nyk in het Fries) is het tijd voor pauze. De Sint Nicolaaskerk is open. Deze neogotische kerk is nu eens niet van Cuypers maar van een Friese architect en heel bijzonder. Veel rozerode baksteen van binnen en gebrandschilderde ramen in zwart en grijs.

Het Prinses Margrietkanaal steek ik over en dan volgt Tjerkgaast. Dit plaatsje doet zijn naam eer aan. De kerk (tsjerk is kerk in het Fries) staat op een gaast, een hoger gelegen zandrug.

Vanaf Sloten fiets ik langs de Ie ofwel de Ee. In de verte zie ik de schoorsteen van het Woudagemaal bij Lemmer en de IJsselmeerdijk. Het glooiende landschap met meer bebossing zorgt ervoor dat ik minder last heb van de wind. En uiteindelijk ben ik Oudemirdum.

En waarom nu juist daar?

In bezoekerscentrum Mar & Klif is een kleine tentoonstelling over de vergeten watersnood van 1825, nu 200 jaar geleden.

Het onstuimige weer

Februari 1825. Het is winter, maar in Fryslân geen sneeuw en ijs. Door langdurige stormen is het waterpeil in de Waddenzee en de Zuiderzee gevaarlijk hoog en de dijken staan onder druk. Op 1 februari is het ongewoon zacht, bijna zwoel weer met een stevige zuidwestenwind. En op zee is er iets merkwaardigs aan de hand, zo zien zeevaarders: onrust op de zeebodem, waardoor zeewier en planten naar het oppervlak stijgen – teken van naderend onheil. De wind steekt op, zeemeeuwen zoeken massaal landinwaarts beschutting.

3 februari: het is springtij en de wind is een zware noordwesterstorm geworden. De ramp is onafwendbaar. De verwaarloosde dijken van de Zuiderzee begeven het onder het geweld.

Natuurramp van grote omvang

Niet alleen de Zuiderzeedijken begaven het. Nee, van Zeeland tot Groningen stroomde het water het land binnen. In Friesland en Overijssel was de vloed desastreus. Bij Lemmer, Nijemirdum, Mirns en tussen Workum en Hindelopen overstroomde bijna tweederde van Friesland. Op plekken stond het water wel twee meter hoog. Dit was de grootste natuurramp in Nederland van de 19e eeuw.

De ravage

Fryslân telde ‘slechts’ 17 doden (terwijl in Overijssel meer dan 300 mensen omkwamen), maar de schade was gigantisch. Veel huizen en boerderijen werden verwoest en duizenden dieren verdronken. 
In de jaren daarna stierven alsnog veel mensen indirect vanwege deze ramp. De malariamug had in het natte gebied kans gezien en velen stierven aan deze onbekende ziekte.
De oogst van 1825 kwam er sowieso niet, maar door het verzilte land vielen de oogsten nog jarenlang tegen.
Ook de visserij had grote problemen. Alle zoetwatervis was doodgegaan en er kon alleen nog maar haring worden gevangen.
De gedupeerde boeren konden aan veevoer komen uit de niet getroffen gebieden. Sommigen verkochten hun geredde vee aan collega’s in het land om zo aan geld te komen om hun bedrijf opnieuw op te bouwen.

De afvoer van het water

Er kwam vorst en dat zorgde voor nieuwe problemen. Het ijs ging kruien en daardoor ontstond weer schade aan huizen, boerderijen en molens. Toen het op 11 februari rustiger weer werd, kwam er ook een oostenwind. Gunstig, want het hielp de afvoer van het water naar de Zuiderzee.
Het dichten van de dijken nam enige tijd in beslag, maar in april was het binnenwater tot normale voorjaarshooogte gedaald. Wel moesten de vele polders van het zoute water worden ontdaan en de bemaling zou nog veel tijd en geld kosten.

Historische saamhorigheid

1825 was de eerste ramp die als een nationale ramp werd gevoeld. In het hele Koninkrijk (ook Belgie) kwamen hulpacties op gang: inzamelingen van geld, kleding en voedsel. De overheid trof noodmaatregelen. Ook uit het buitenland kwamen giften zoals van de tsaar van Rusland. Dat is minder gek dan het lijkt. De zus van de tsaar, Anna Paulowna, was getrouwd met de Nederlandse troonopvolger, prins Willem, de latere koning Willem II.

Vergeten

De ramp, hoe groot die ook was, werd vergeten. Een oorzaak kan zijn dat nog maar vijf jaar later de Belgische Opstand uitbrak, de revolutie die het begin was van de strijd tussen de beide delen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
Dit jaar, 200 jaar na dato, wordt de ramp in Overijssel en voor Friesland op allerlei manieren herdacht. En zo zit ik hier in Bargebek, in een gedeelte van Friesland dat grotendeels droog bleef in die ramp.

Hoogtekaart Friesland
Friesland onder water

Plaats een reactie